Kómp bènne!

Welkom!

U bent op de website van drs. Jo Bronneberg, geboren in Jabeek, bij Sittard, in het vroegere Land van Valkenburg, Spaanse, katholieke Partage. Ik ben gevormd op het gymnasium van Rolduc, op de Katholieke Universiteit van Nijmegen, op de Sorbonne in Parijs en op het Centre Européen Universitaire van Nancy. Jarenlang ben ik docent Frans geweest en de laatste jaren van mijn lerarenbestaan ben ik lid geweest van de de Commissie bij het Cito in Arnhem belast met de samenstelling van de Centraal Schriftelijke Eindexamens Frans.

Ik ben met deze website begonnen, omdat ik nu vrij, binnen de grenzen van de christelijke beschaving, kan publiceren, zonder dat kranten, tijdschriften, verenigingen en instellingen inspraak hebben in wat, waarover, hoeveel en in welke taal en spelling ik wil schrijven.

Kómp bènne!

Ger zeet op de website van drs. Jo Brónnebehrg, geboahre i Joabik, biej Zitterd, in ‘t vreuger Lahndj va Vahlkebehrg, Sjpaanse, katolieke Partage. Ich bèn gevórmp op ‘t gymnasium va Rolduc, op de Katholieke Universiteeht va Nèjmege, op de Sorbonne i Pariehs en op ‘t Centre Européen Universitaire va Nancy. Joahrelahnk bèn ich docent Frahns gewèès  en de lèste jaohre va mie liërarebesjtoah bèn ich lid gewèès van de Commissiej biej ‘t Cito in Arnhem belas mit de sahmesjtèlling van de “Centraal Schriftelijke Eindexamens Frans”.

Ich bèn mit dizze website begós, ómdat ich noew vriehj, bènne de grenze van de christelike besjaving,  kèn publisèère, oane dat kezètte, tiehdsjrifte, vereeniginge en ihnsjtèllinge ihnsjpraok hùbben i wat, woë-uëhver, wiejvèùl en in wehlke taal en wehlke sjpelling ich wil sjriehve.


“Made in Israel-Palestine”


Op Op 26 augustus 2011 publiceerde het Katholiek Nieuwsblad het onderstaande bericht. Dit was een ingekorte versie van een eerder door mij toegezonden artikel waarvan u de volledige tekst eveneens hier beneden aantreft:


‘Made in Israel-Palestine’


De argumenten waarmee Tom Struick van Bemmelen katholieken oproept Israël te steunen, kloppen niet. De echte oplossing ligt elders.


Jo Bronneberg


 


Tom Struick van Bemmelen roept ons op paus Johannes Paulus II te volgen “over Israël” (KN 30). Hij begint met de moord op twee joodse jongetjes in Hebron, gepleegd door “islamitische Arabieren”. Die moord zou “het begin (zijn) van een pogrom waarbij 67 joden stierven”. Maar die “Arabieren” van Hebron lezen in Jozua (10,36 – 37) hoe het met de oorspronkelijke inwoners van Hebron is gegaan: “Vanuit Eglon trok Jozua met heel Israël naar Hebron. Zij bestormden de stad, namen haar in en vernietigden haar door het zwaard, haar koning, haar onderhorige steden en iedereen die in de stad leefde. Jozua liet niemand ontkomen.”


De heer Struick maakt een vergelijking tussen de katholieke Ieren die “in 1921 na 700 jaar eindelijk hun eigen land” kregen en de joden die “in 1948 na 2000 jaar weer hun eigen staat kregen”. Maar het grote verschil ligt in de geografische ligging en in de geschiedenis van beide landen en volken. Dat maakt onder meer dat Ierland geen “apart katholiek land voor de Ieren”, is, maar gewoon het eiland van de Ieren. Maar de ligging van Israël-Palestina langs de drukke verbindingsweg tussen Afrika en Europa, aan de Middellandse Zee, aan het begin van de weg naar Azië en tussen alleen maar islamitische landen, maakt dat zich daar met de achtergebleven joden in de loop van 3000 jaar veel andere volkeren hebben gevestigd, elkaar opvolgend en tegelijkertijd.


De heer Struick vermeldt als voornaamste reden van de vorming van een joodse staat voor de joden het verlangen “eindelijk verlost (te worden) van eeuwen van discriminatie en pogroms”. Maar leefden en leven de joden alleen in kommer en kwel? Mozes en Jozef waren aanzienlijk mannen in Egypte. Toen de joden daar weg waren getrokken, de woestijn in, verlangden zij terug naar Egypte, “waar we bij de vleespotten zaten en volop te eten hadden” (Ex. 16,3). Ondanks de door de heer Struick vermelde discriminatie en pogroms, wisten en weten de joden zich tot op de dag van vandaag overal ter wereld uitstekend te handhaven.         Er komen thans vaker berichten uit Israël dat het Palestijns probleem is opgelost. Het volgende is het Iraanse. Maar het verschil tussen Iran en Palestina is nog groter dan dat tussen Israël en Ierland. Als Israël meent Iran op te kunnen blazen, dan komt het figuren als Henri Kissinger tegen die volgens WikiLeaks tegen Richard Nixon zei: “Wij gaan toch niet vanwege Israël de hele wereld opblazen!”


Er is hier maar één uiteindelijke oplossing mogelijk. En dat is dat Israëliërs en Palestijnen een menselijk gesproken welhaast onmogelijke concessie doen: de Palestijnen accepteren dat joodse mensen in groten getale op het grondgebied wonen dat ook van hen, Palestijnen, is, en de Israëliërs doen precies hetzelfde. Deze oplossing wordt aan beide zijden van de hand gewezen. De Israëliërs zeggen dat hun bestaan dan alweer bedreigd wordt. Maar is dat zo? De joden hebben zich in de loop van hun lange geschiedenis ondanks alle rampen uitstekend weten te handhaven. En zouden zij zich dan niet weten te handhaven in een nieuw te vormen land, Israël-Palestina, waar de grondwet erkent dat elke bewoner, Jood en Palestijn, gelijke en onaantastbare rechten heeft?


Wat krijgt iedereen daarvoor in de plaats terug? De joden in de eerste plaats eindelijk het einde van het “lijden (dat) de joden in Israël al tachtig jaar (ondergaan) onder terreur, tot op de dag van vandaag” (Struick van Bemmelen). Vervolgens: vrede waar iedereen zo naar snakt, Joden en Palestijnen. Vrede waarover de engelen spraken bij de aankondiging van de aankomst van God op aarde: “Vrede op aarde aan de mensen van goede wil.”


Vrede betekent ook eindelijk voor iedereen welvaart: land- en tuinbouwprodukten en -methoden op dat veld zullen hun weg vinden over de hele wereld. Men zal elkaars sinaasappelen niet meer vol spuiten met kwikzilver. De wapenfabrieken worden vervangen door chipfabrieken, tanks door tractoren, en kennis wordt ontwikkeld en geëxporteerd naar de hele wereld. Industrieproducten, dan zeer gewild, zullen trots vermelden: ***Made in Israel-Palestine***.


Vrede betekent ook eindelijk het vreedzaam samenleven van de drie voornaamste geopenbaarde godsdiensten die alle drie hun wortels hebben in het Heilig Land. Islamitische, joodse en christelijke toeristen zullen er massaal naartoe trekken, wetend dat zij er weer levend vandaan zullen komen.


En dan gaan de woorden van Jesaja (65, 17 – 25) in vervulling gaan: “Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en aan wat vroeger geweest is wordt niet meer gedacht. Geween en gekerm worden er niet meer gehoord. Zij zullen geen kinderen ter wereld brengen voor de verschrikking. Dan grazen de wolf en het lam eensgezind, de leeuw eet dan hooi zoals het rund.”


 


***Drs. Jozef Jacob Bronneberg is lezer te Sittard-Geleen. Zie www.limburgsetaal.nl.***


 


De uitgebreide versie luidt als volgt:


 


“Made in Israel-Palestine”


In het Katholiek Nieuwsblad van 29 juli 2011, nummer 30, roept Tom Struick van Bemmelen, voorzitter van Likoed Nederland en oud-lid van de Eerste Kamer, ons katholieken op om Paus Johannes Paulus II te volgen over Israël. Ik zou graag willen ingaan op enkele onderdelen van zijn betoog, namelijk op die welke leiden tot de kern van de zaak.


Voor diegenen deze tekst niet meteen bij de hand hebben herhaal ik hier het begin ervan: “Op 24 augustus 1929 liepen twee joodse jongetjes door Hebron, op weg naar de synagoge. Die zij nooit zouden bereiken. Een groep islamitische Arabieren slachtte de twee kleuters namelijk af met messen en stenen, het begin van een pogrom waarbij 67 joden stierven.” (…)


Nu wordt zowel de Palestijnen als de Israëliers verweten dat zij in hun berichtgeving subjectief zijn. Als reactie op dat verhaal van die slachtpartij van die kleuter-jongetjes verwijzen de Palestijnen naar die ongewapende Palestijnse vader met zijn zoontje, die, weggedoken in een hoekje van een straat ergens in hun vaderland, door het zwaar bewapende Israëlische leger werden afgeschoten.


Vervolgens wijst de Likoed-voorzitter erop, dat de moord op die jongetjes in Hebron “het begin (was) van een pogrom waarbij 67 joden stierven.” Helaas lezen ook die “islamitische Arabieren” van Hebron, die zichzelf Palestijnen noemen, in het 10e hoofdstuk van het Oude Testament hoe het met de oorspronkelijke inwoners van Hebron is gegaan, of dat nu de voorouders van de Palestijnen waren of niet; in ieder geval waren het geen joden: Ik citeer uit de Willibrordvertaling van 1995, Jozua 10, 36-37: “Vanuit Eglon trok Jozua met heel Israël naar Hebron. Zij bestormden de stad, namen haar in en vernietigden haar door het zwaard, haar koning, haar onderhorige steden en iedereen die in de stad leefde. Jozua liet niemand ontkomen, net als bij Eglon.”


De heer Struick maakt een vergelijking tussen de katholieke Ieren die “in 1921 na 700 jaar eindelijk hun eigen land” kregen en de joden die “in 1948 na 2000 jaar weer hun eigen staat kregen.” Maar het grote verschil ligt in de woorden “land” en “staat” en, nog veel belangrijker, in de geografische ligging en in de geschiedenis. Deze verschillen zijn zo groot, dat er geen vergelijking mogelijk is. De Ieren, afgezien van hen die in de diaspora in de Verenigde Staten gingen wonen, zijn altijd op hun eiland,  zonder noemenswaardig instroom, blijven wonen,  in de Atlantische Oceaan ver van de rest van Europa en de wereld. Alleen de Engelsen hebben in hun koloniale drift een groot gedeelte van hun eiland bezet met de door de heer Struick vermelde gevolgen. Ierland is geen “apart katholiek land voor de Ieren”, maar gewoon het eiland van de Ieren.


Daar komt bij dat zij nooit hebben meegemaakt wat de joden hebben meegemaakt in het jaar 70 toen de Romeinen ‘geen steen op de ander’ lieten liggen en de joodse staat ophield te bestaan. En juist die geografische ligging, die drukke verbindende weg langs de Middellandse Zee, in het Midden-Oosten, tussen Afrika en Europa, het begin van de weg naar Azië, maakt dat zich daar met de achtergebleven joden in de loop van 2000 jaar veel andere volkeren hebben gevestigd, tegelijkertijd of elkaar opvolgend, zoals de  islamitische Arabieren.


Daarom kan pater Elias zeggen dat “de vorming van een heel klein joods landje in 1948 in het Midden-Oosten vreemd” is. Het ging dus niet aan dat op de vroegere website van de huidige staat Israël, bij de lange geschiedenis van die streek, uitsluitend en alleen Joden genoemd werden als huidige en vroegere bewoners.


De heer Struick vermeldt als voornaamste reden van die vorming het verlangen om “eindelijk verlost (te worden) van eeuwen van discriminatie en pogroms.” Maar leefden en leven de joden alleen in kommer en kwel? Zelfs in Egypte was dat niet helemaal zo: Jozef was onderkoning van de Farao, Mozes is grootgebracht aan het hof en was een aanzienlijk man. Toen de joden uit Egypte waren getrokken de woestijn in, verlangden zij terug naar Egypte, “waar we bij de vleespotten zaten en volop te eten hadden.” (Exodus, 16,3). In Numeri (11,4-5) herinnert Mozes Jahweh aan dat vlees en andere gerechten, omdat “het samenraapsel van vreemdelingen dat met de Israëlieten meetrok, niet was te verzadigen” en allen zeiden: “Wie kan ons aan vlees helpen. Wij hebben heimwee naar de vis die wij in Egypte voor niets te eten kregen, naar de komkommers en de meloenen, naar de prei, de uien en het knoflook.” Ondanks de door de heer Struick vermelde discriminatie en pogroms, wisten en weten de joden zich tot op de dag van vandaag overal ter wereld uitstekend te handhaven in de politieke en financiële wereld, in de media en op veel andere terreinen. Einstein heeft onsterfelijke roem verworven, op het ogenblik is een Hongaarse jood, Nicolas Sarkozy, president van Frankrijk (als ik Fransman zou zijn, zou ik op hem gestemd hebben) en het scheelde maar één misgreep of de eveneens zeer bekwame Domique Strauss-Kahn was hem opgevolgd. In Nederland hebben de joden niet te klagen over de ontoegankelijkheid van belangrijke burgemeesters-posten, ministerschappen, lidmaatschap van eerste en tweede kamer en veel andere terreinen. Rupert Murdoch kan onder meer in zijn kranten, in grote delen van de wereld uitgegeven, niet zeggen dat hij gediscrimineerd wordt, tenzij hij in zijn schandaal-kranten te ver gaat met afluisterpraktijken.Met dit alles wil ik de reeds vaker aangehaalde discriminatie en pogroms en zeer veel ander leed door de joden ondergaan in het geheel niet als minder erg voorstellen.


Als de Israëliërs menen tóch te kunnen blijven vechten voor het behoud en de uitbreiding van “hun eigen staat” op een grondgebied dat, in tegenstelling tot Ierland, ook veel anderen met historische rechten kunnen claimen, dan vrees ik het allerergste voor de hele wereld. Er komen thans vaker berichten dat Israël meent het Palestijns probleem opgelost te hebben. Het volgende is dan het Iraanse. Het zal evenwel onmogelijk zijn dat op dezelfde wijze op te lossen zoals toentertijd Jozua het Hebronese en het hele Canaänese heeft opgelost. Of zoals Esther en Mordekai (tegenwoordig verbasterd tot onder meer “Murdoch”) de dreiging van hun tegenstanders in het gebied dat thans Iran is, hebben afgewend door 75 000 van hen af te slachten, voordat die dat met hen konden doen. In Iran wordt deze afslachting tegenwoordig, volgens de hedendaagse Nederlandse kranten, als een genocide beschouwd. Als Israël van plan is het tegenwoordige Iran aan te vallen, dan hoop ik dat zij eerst naar Delphi gaan, waar de Pythia tegen Xerxes zei, toen hij oorlog tegen Griekenland ging voeren: “Een rijk zal vernietigd worden.” En wat hebben de recentere oorlogen opgeleverd: die van Napoleon, de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, die van Korea, die tegen Indonesië, die tegen Indo-China, Afganistan, Irak, Libanon? Als Israël meent Iran op te kunnen blazen, dat zal de hele wereld opgeblazen worden. Ik heb mijn hoop gesteld op Henri Kissinger die, volgens Wiki-leaks, tegen Richard Nixon zei: “Wij gaan toch niet vanwege Israël de hele wereld opblazen, (zelfs niet na eerst driemaal gebeld te hebben zoals bij het King David Hotel).”


En ook het Palestijns probleem is nog lang niet opgelost. Misschien wel voor een tijdje. De Joden, zo stelt de voorzitter van Likoed Nederland en oud-lid van de Eerste Kamer, hebben 2000 jaar gewacht op het herkrijgen van hun eigen staat, de Ieren 700 jaar op hun eigen land. De Palestijnen hebben zeker geen slechter geheugen dan de Israëliërs en de Ieren.


Er is hier maar één uiteindelijke oplossing mogelijk. En dat is dat Israëliërs en Palestijnen een menselijk gesproken welhaast onmogelijke concessie doen: de Palestijnen dat zij accepteren dat joodse mensen in grote getale op het grondgebied wonen dat ook van hen, Palestijnen, is en dat de Israëliërs precies hetzelfde doen. Deze oplossing wordt aan beide zijden van de hand gewezen. De Israëliërs zeggen dat hun bestaan dan alweer bedreigd wordt.


Maar is dat zo? Wij hebben gezien dat de joden zich in de loop van hun duizenden jaren lange geschiedenis, ondanks alle rampen die hun zijn overkomen, zich uitstekend hebben weten te handhaven tot op dag van vandaag in een multiculturele en multiraciale samenleving. En zouden zij zich dan niet weten te handhaven in een nieuw Israël, waar de grondwet erkent dat elke bewoner gelijke en onaantastbare rechten heeft?


Hoe zo’n nieuwe samenleving eruit zou kunnen zien, kunnen zij komen bekijken hier in Nederland, waar wij deze samenleving willen uitbouwen. Maar dan moeten zij niet komen praten met de voorzitter van Likoed Nederland, die in zijn betoog toespelingen maakt op een verwijdering tussen de Nederlandse katholieken en moslims, niet met Geert Wilders, die in Israël gaat vertellen dat zij de overgebleven islamitische Palestijnen weg moeten jagen, en zeker niet met die Noor die beweert bewondering te hebben voor Wilders. Op de eerste plaats moeten zij dan gaan praten met Job Cohen die hun duidelijk zal maken hoe je “de boel bij elkaar houdt”.


Wat krijgt iedereen daarvoor in de plaats terug, Joden en Palestijnen, de hele wereld?


De joden: Op de eerste plaats dat waar Tom Struick van Bemmelen zo naar verlangt: eindelijk het einde van het “lijden (dat) de joden in Israël al tachtig jaar (ondergaan) onder terreur, tot op de dag van vandaag. Dit terroristische, door moslims gepleegde geweld tegen joden en christenen (denk aan de Armeense genocide) …”


Vervolgens: Vrede, vrede en nog eens vrede waar iedereen zo naar snakt, Joden en Palestijnen. Vrede waarover de engelen spraken bij de aankondiging van de aankomst van God op aarde: “Vrede op aarde aan de mensen van goede wil.”


Vrede tussen Israëliërs en Palestijnen betekent ook eindelijk vrede in het hele Midden Oosten, want dan is de oorlogs- en uitroeiïngs-dreiging tussen de verschillende volkeren daar verdwenen. Dan is er geen reden meer voor oorlog, geweld, terreur, zelfmoordaanslagen, vernederingen, verjaging, opsluiting in de gevangenissen en in de open lucht, tot de tanden bewapende en miljarden verslindende legers. Iedereen gaat vrij Israël en de Gazastrook en de Westbank binnen, want dat is dan één vredig en veilig gebied.  Men zal onbegrijpelijk het hoofd schudden, zeggend: “Hoe is het toch mogelijk dat het vroeger zo heel anders was?.”


Vrede betekent ook eindelijk, voor iedereen, joden en palestijnen, veiligheid. Nooit meer raketaanvallen, nooit meer tegenaanvallen, de wapenfabrieken vervangen door chips-industrie, tanks vervangen door tractoren, kennis ontwikkelen en exporteren naar de hele wereld, vooral naar de derde, waar geen hongersnood meer zal zijn. Men zal elkaars sinaasappelen niet meer volspuiten met kwikzilver.


Vrede betekent ook eindelijk het vreedzaam samenleven van de drie voornaamste geopenbaarde godsdiensten die alle drie hun wortels hebben in het Heilige Land, voortaan Israël-Palestina te noemen. Islamitische, joodse, christelijke toeristen zullen massaal naar het Heilige land trekken, wetend dat zij er weer levend vandaan zullen komen.


Land- en tuinbouwprodukten en methoden op dat veld zullen hun weg vinden over de hele wereld, op de eerste plaats in het Midden-Oosten. Industrie-produkten, dan zeer gewild over de hele wereld, zullen trots vermelden: “Made in Israël-Palestina”.


En dan, dan alleen zullen de woorden van de grote profeet Jesaja (65, 17… 25) in vervulling gaan, ook reeds hier op aarde en vooral in Israël-Palestina:


‘Zie, Ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en aan wat vroeger geweest is wordt niet meer gedacht. Jeruzalem wordt door Mij herschapen in een stad met een bevolking vol blijdschap. Geween en gekerm worden er niet meer gehoord. Dan grazen de wolf en het lam eensgezind, de leeuw eet dan hooi zoals het rund. Niemand zal nog kwaad doen of onheil stichten op heel mijn heilige berg. Er is geen zuigeling meer met een kort leven. Zij zullen geen kinderen ter wereld brengen voor de verschrikking. ”


Jozef Jacob Bronneberg


 


Grammatica

DE LIDWOORDEN IN DE TAAL VAN JABEEK en verre omstreken van Sittard

Dit is een gewijzigde versie van een studie die ik gepubliceerd heb in het Jaarboek 1995 van de Heemkundevereniging De Vèèrsjpruhnk van de gemeente Onderbanken.
Er zijn drie bepaalde lidwoorden: de, het of ‘t en ge-, en drie aparte vormen voor het onbepaald lidwoord: ene, een en ee. Dit onbepaald lidwoord is afgeleid van het telwoord 1, dat ook in meerdere vormen voorkomt, maar dat zullen we bij de telwoorden zien. Een h achter een klinker geeft de sleeptoon aan.

I. Het bepaald lidwoord de
1) De komt in principe alleen voor in de vormen de en den en staat vóór
a) mannelijke woorden in het enkelvoud die niet met een klinker, een h, een d of een t beginnen;
b) voor vrouwelijke woorden in het enkelvoud en
c) voor mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden in het meervoud:

De pap, de mam en de poehte. Vader, moeder en de kinderen.

2) Den wordt alleen in het enkelvoud gebruikt en wel voor mannelijke zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die met een klinker, een h, een t of een d beginnen. De -n van den heeft dus niets te maken met een naamval, zoals in het Duits, maar wel met het geslacht en het getal van het volgend woord. Vóór een d en een t neemt de tong dezelfde positie in als bij een n (de t, d en n moemt men niet voor niets dentalen, d.w.z. tandmedeklinkers) en een n wordt dan makkelijk ingevoegd, maar weer alleen in het mannelijk enkelvoud.

Het gebruik van de zogenoemde finale -n op het eind van den is tegenwoordig facultatief; dat wil zeggen dat de spreker zelf moet weten of hij ze uitspreekt of niet. De -n zet ik in zo’n geval vaak tussen haakjes: (n). Vooral de jongeren laten tegenwoordig deze -n vaak weg, vooral voor een t en een d. Hier speelt de vervlakkende invloed van het Nederlands een belangrijke rol. Maar ook is het vaak een kwestie van zinsritme. Enkele voorbeelden:

Vóór een zelfstandig naamwoord:
Ich hùb pîen aan den ehrm. Ik heb pijn aan mijn arm.
Dèè woëhrd den hiëhmel i gepriëhze. Die (man) werd de hemel in geprezen.
Woë is de(n) tob? Waar is de emmer?
Een fillem mit de(n) Dieke(n) en de(n) Dunne. Een film met de Dikke de Dunne.

Vóór een bijvoeglijk naamwoord:
den erme mahn de arme man
den iësjte kiër de eerste keer
den hawve(n) tiehd meestal, vaak
de(n) trùjje(n) hoehndj de trouwe hond

de(n) dieke(n) tiën de dikke teen

Dus voor een een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord dat vrouwelijk of meervoud is wordt nooit den gezegd:

Eva woar de iësjte vrouw. Eva was de eerste vrouw.
De eppel zihn al riehp. De appels zijn al rijp.
De sjtómste boëhre(n) hùbbe De stomste boeren hebben de dikste aardappelen.
de diekste èèhrpel.

Door het verdwijnen van de finale -n zou enige onduidelijkheid kunnen ontstaan bij mannelijke woorden die beginnen met een klinker en in het enkelvoud en meervoud dezelfde vorm hebben, maar het zinsverband zal er voor zorgen dat het gevaar voor misverstand tot een minimum beperkt wordt:

den èèhrpel de aardappel
de èèhrpel 1. de aardappelen 2. de aardap

3) Der
De mannelijke vorm der wordt alleen gebruikt in de uitdrukkingen
Dat hohlt dich der dùhjvel. Dat is nogal wiedes.
Al der dùhjvel / dùhjvel. De hele ratteplan.
In deze zegswijzen is de Duitse invloed (der en Teufel) goed merkbaar.

Der en ‘t zoals die bij voorbeeld in en rond Kerkrade en Heerlen worden gebruikt vóór namen komen in het Jabeeks niet voor:

Ha, doa is der Joep > Ha, doa is Joep.
Loat ‘t Lîeza mer gewèèhre > Loat Lîeza mer gewèèhre. Laat Liesje maar haar gang gaan.

4) De combinatie op + de wordt in Jabeek op te en niet oppe zoals in Schinveld en Sittard:
I Joabik op de Maahr In Jabeek op de Maar
(spreek uit: op te Maahr)
I Sjilvend oppe Behrg In Schinveld op de Berg
I Zitterd oppe Mehrt In Sittard op de markt

5) Dem, der en dehn (alle drie uitgesproken met de e van het Nederlandse woordje bed) hebben etymologisch gezien alles te maken met de, maar deze woorden zijn meer aanwijzende voornaamwoorden en zullen dan ook onder die woordsoort behandeld worden.

6) Dès, een oude genitief, komt slechts in één vaste uitdrukking voor, namelijk in het gebed Den èhngel dès Hiëre ‘de engel des Heren’, een Mariagebed dat gebeden werd als het Angelus om twaalf uur ‘s middags luidde.

II. HET LIDWOORDELIJK VOORVOEGSEL GE-
Het lidwoordelijk voorvoegsel ge- met zijn varianten gen- en gene- kan ook als bepaald lidwoord gebruikt worden, maar alleen in een bijwoordelijke bepaling van plaats, dus na een voorzetsel en meestal voor een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud, een enkele keer vóór een telwoord. Het betreft gewoonlijk min of meer vaststaande uitdrukkingen die met een voorzetsel beginnen en ook heel vaak aardrijkskundige namen.

a. ge- in vaststaande uitdrukkingen:
Op gensjtroat Op straat
Dèè ligk de gahnsen Die (man, jongen) ligt de hele dag in bed.
daahg i gebèd.

Hèèh zit de gahnsen Hij is de hele dag op het veld bezig.
daahg i gevehldj.
Ich hùb pîen i genak. Ik heb pijn in mijn nek.
Hèè loog op genrùk. Hij lag op zijn rug.
Dèè zit ummer op genvot. Die (jongen, man) zit altijd op zijn kont.
Op genèèrd, i genèèrd Op de grond, in de grond.
Ich hùb niks i genhoehs. Ik heb niets in huis.
Alles sjting op gendùsj. Alles stond op tafel.
Óhngen i gendùhrp, Beneden in het dorp,
boahven i gendùhrp. boven in het dorp.
Wat hùbse dich noehw wèèr Wat heb je je nu weer in je handen latgen stoppen?
i genhenj loate dueje?
Ee vehldj aan gen een wèj. Een stuk land “aan de ene wei”.
Een wèj aa geziëhve ehke. Een wèjland “aan de zeven eiken”.
Ich hùb geeh gehldj i gentesj. Ik heb geen geld op zak.

NB. Lek mich i gentesj is een vulgaire uitdrukking met de volgende betekenissen:

Loohp doehw mich noa de póhmp. Loop naar de pomp. of: Wat hebben we nou?
Vrèk doehw mich. Barst maar.

Helaas is er een nog veel grovere uitdrukking n.l. Lek mich i maasj, met ongeveer dezelfde betekenis als de vorige. Deze uitdrukking, die oorspronkelijk uit het Duits komt, wordt een enkele keer naar analogie van andere zegswijzen met ge- nog verder verlimburgst tot Lek mich i gemaasj. Duits leraar Jo Reinders uit Schinveld vertelde mij, dat zij zelfs door Goethe wordt gebruikt en wel in de Urfassung uit 1771 van het treurspel Götz von Berlichingen, waar Götz ze in de 3e Aufzug tegen de Trompeter gebruikt om zijn ongenoegen kenbaar te maken. Na overwegingen van esthetische aard heeft Goethe ze in de volgende edities geschrapt.

b. Ge- in plaatsnamen.
Ge-, gen- of gene- komt men ook veel tegen in Limburgse plaats- en streeknamen. Ook hier oorspronkelijk alleen na een voorzetsel, maar naderhand werd ge c.s. vaak een vast element van de plaatsnaam. Hiervan zijn talloze voorbeelden te geven tot in de wijde omstreken:

Plaatsnaam met voorzetsel:

Hèè wóhnt i Joabik, óhngen i Genènj. Hij woont in Jabeek, beneden in de Eindstraat.
Ee sjtùk lahndj aa Genebód Een stuk land aan de Bodde. (veldnaam in Jabeek)
‘t Vehldj aa Gewanj ‘t Veld aan Gewande
De heer Friehn Theunissen uit Bingelrade gaf mij voor zijn dorp de volgende uitdrukkingen:

Hèèh wóhnt i Genveel. Hij woont in Viel.
i Genènj In het Eind (zie ook Jabeek en Schinveld)
Ee lahndj i Gendaahl. Een stuk land in het Dal.
Een wèj aa Gebüsjke. Een wei aan het Bosje.
Ich goan noa Genhooht. Ik ga naar Douvergenhout.
Ziehj is va Genroaht. Zij is van Raath.

De heer Zef Dormans, landbouwer uit Merkelbeek, wiens moeder afkomstig was van Raath, sprak van Gendroaht. Deze d heb ik nagevorst en verder niemand horen zeggen, ook niet de familie van de Camp uit Genroaht. Taalkundig is deze d echter heel goed mogelijk, net zoals Henricus Hendrik is geworden.

De heer Lèj Dohmen gaf mij de volgende uitdrukkingen voor Schinveld:
Aa Gewahter aan ‘t Water
I Sjihlvend kalt me van In Schinveld praat men van aan de Heide en op de Heide.
aa Genhèj en op Genhèj
Diej wóhnde op Genènj. Die woonden in de Eindstraat.
Een wèj i Gentóm Een wei aan de Tomme
Achter Genebehrg Achter de Berg (bij Merkelbeek)
aa Genbîes aan de Bies

Andere voorbeelden uit Zuid-Limburgs:

i Genhèl in Helle (gehucht van Nuth)
Wóhnt giëhr i Gebrook? Wonen jullie in Hoensbroek?
Op Genesjeeht In Schaasberg

Vaste plaatsnamen met ge- zijn bijvoorbeeld geworden:
Gahns Genroaht leep oeht. Heel Raath liep uit.
Gahns Genènj sjting blahnk. Heel het Eind stond blank.
Vanoet de Grach i Joabik Vanuit de Gracht in Jabeek reden ze het Eind in.

voëhrte ze Genènj ihnne.
Wentste i Sjihlvend kuhms, Als je in Schinveld komt, ga dan even de Eindstraat in.
gahnk dan èèhve Genènj op.
Genhooht huërt biej Mehrkelbek. Douvergenhout hoort bij Merkelbeek.

Genhèl is ee fehj gehuch. Helle is een mooi gehucht.
Genveel kènse nee mië truk. Viel ken je niet meer terug.
Genesjeeht is versjlahge. Schaesberg is verslagen.

N.B. 1: Het is moeilijk een regel vast te stellen die bepaalt wanneer men ge-, gen- en gene- zegt. Het geslacht lijkt er niet veel mee te maken te hebben:

mannelijk ‘rùgk’ rug > genrùk; vrouwelijk ‘vo’’ achterste > genvot; onzijdig ‘dùhrp’ dorp > gendùhrp.
Op de beginletters van het hoofdwoord mag men ook niet altijd afgaan: een v- geeft nu weer gen- : Genveel, dan weer ge- : i gevehldj. Een b- levert nu eens ge- op: Gebrook, dan weer gene-: Genebehrg, Genebód. sj- nu eens gen-: op gensjtroat, dan weer gene-: Genesjeeht.

Het enige wat ik vooralsnog kan zeggen is dat vóór een klinker, een h, een t en een d gen- lijkt te komen:
Genènj, genhoehs, gentesj, gendùhrp.

N.B. 2: Dit ge- met zijn varianten moet gezien worden als een vezwakking van de aanwijzende woorden guhnne’ of geen ‘ginds, gene’:

Ich wach doa guhnnen op dich. Ik wacht daar ginds op je.
Deze sterkere, aanwijzende betekenis treft men ook nog aan in de uitdrukking aa geen ziej:
Aa geen ziej van de bèèhk. Aan gindse zijde van de beek.

Aa geen ziej van de grens. Aan gindse zijde van de grens.
Rond de Tweede Wereldoorlog werd aa geen ziej vaak gezegd in plaats van ‘in Duitsland’.

Diej wèhrkde aa geen ziej. Die werkten in Duitsland.

III. HET BEPAALD LIDWOORD HET / ‘t
Het en zijn afgezwakte vorm ‘t vormen het bepaald lidwoord vóór onzijdige zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud:

‘t Menke, ‘t vrùjke en ‘t kiendje. ‘t Mannetje, ‘t vrouwtje en ‘t kindje.
Men lette op het verschil in de uitspraak van de t in b.v. zèèt in de volgende twee zinnetjes:

Wat zèèt ‘t kèhndj? Wat zegt ‘t kind?
Wat zèèt ee kèhndj? Wat zegt een kind?

In het eerste zinnetje wordt zèèt met een stemloze t uitgesproken onder invloed van de oorspronkelijke h van het, hoewel die praktisch niet meer wordt uitgesproken.

In het tweede zinnetje wordt de t van zèèt uitgesproken als een stemhebbende d onder invloed van de volgende klinker ee.

IV. HET ONBEPAALD LIDWOORD EEN

Het onbepaald lidwoord heeft aparte vormen voor het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
A. Mannelijk:
1. ene

Vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat niet met een klinker, een h , een t of een d begint:

ene mahn een man
ene riehke kèèhl een rijke kerel
ene potloëd een potlood
ene sjoënen óhrgel een mooi orgel

2. enen
Gebruikt vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat met een klinker, een h, een t of een d begint. Maar ook hier dreigt de laatste n te verdwijnen, vooral voor een t of een d:

enen appel een appel
enen ermen hahws een arme drommel
enen hahmpelemahnne een sukkel
enen hawve gare een halve gek
ene(n) tak een tak
ene(n) dehrm een darm

B. Vrouwelijk:

Vóór een vrouwelijk zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord wordt een gebruikt:
een vrow tc “een vrow ” \l 3een vrouw
een sjoën mèèhr een mooie merrie
een toafel een tafel
een flètte bloom een paarse bloem
een duëhr een deur
een lang lùdder een lange ladder

N.B. De uitspraak van een wordt zeer vaak afgezwakt tot ‘n, afhankelijk van de positie van het betreffende zelfstandig naamwoord en van het ritme van de zin:

Hiej hùbse een pèèr en ‘n prôem. Hier heb je een peer en een pruim.

Maar hoe zwak dat ‘n ook is, de n blijft altijd gehandhaafd, want die geeft aan dat het volgend woord vrouwelijk is. De sterke positie van de verschillende vormen van het onbepaald lidwoord en dan met name in het vrouwelijk is een van de verklaringen waarom in het Limburgs de zelfstandige naamwoorden hun geslacht nog zo goed bewaard hebben tot nu toe. In onze taal is het dus nog lang niet als in het Nederlands, waarin de meeste zelfstandige naamwoorden mannelijk zijn geworden en waarin sommigen gewoon zeggen: De kat, hij heeft jongen. In het Limburgs kan dat alleen maar zijn: De kat, ze hèèt jóhnge.

C. Onzijdig

Ook in het onzijdig komt het onbepaald lidwoord in twee vormen voor: ee en een.

1. ee
Dit is het onbepaald lidwoord voor onzijdige zelfstandige naamwoorden die niet met een klinker of een h beginnen. Ook voor een t en een d wordt ee gebruikt. Dit wordt op twee manieren uitgesproken: met een korte gesloten ee of met de onbeklemtoonde e van de. De positie van het betreffende zelfstandig naamwoord en het ritme van de zin zijn weer bepalend. Als het bijbehorend zelfstandig naamwoord in een min of meer beklemtoonde positie staat zal eerder ee uitgesproken worden:

ee pèèhrd een paard
ee book een boek
ee mesjîen een machine
ee kóffer een koffer
ee tekske een takje
ee dun papirke een dun papiertje
ee tùbke een emmertje
ee dèèhkske een dakje
ee troag pèèrdje een traag paardje

In onbeklemtoonde positie kan ee min of meer meer met de e van de uitgesproken worden, die ook als e geschreven kan worden:

Doa kuhmp ene boëhr mit e pèèhrd. Daar komt een boer met een paard
Hèè leep mit e kóffer in genhenj. Hij liep met een koffer in zijn handen.

2) een wordt gebruikt vóór een klinker of een h, maar tegenwoordig wordt de n soms in slordig taalgebruik niet uitgesproken:

een eppelke een appeltje
Hèè wóhnt in een ahwd huske. Hij woont in een oud huisje.
een èèhpke een aapje
een huske 1. een huisje 2. een WC
een hoehs een huis

Dat is nog ee(n) ech awwerwèts koffiej-muëhleke. Dat is nog een echt ouderwets koffie-molentje.
Ich how dich óm een oër. Ik geef je een draai om je oren.

Met deze laatste pijnlijke kwestie zou ik dit grammaticaal hoofdstukje willen afsluiten. Als er lezers of lezeressen zijn die onjuistheden of onvolledigheden zijn tegengekomen, dan kunnen zij kontakt met mij opnemen via info@limburgsetaal.nl.

drs. Jo Bronneberg

e-mail adres

Mijn e-mail adres luidt

bronnebergjo@gmail.com

Lihmburgse Sjpelling


UITSPRAAK EN
SPELLING LIMBURGSE KLINKERS  (concept)

Om u een idee te
geven hoe deze Limburgse klinkers bij benadering klinken, worden hieronder een
paar vergelijkingen gemaakt met de ons omringende talen. De
Limburgse voorbeelden komen uit het Jabeeks, omdat dat een
centraal-Limburgs dialekt is dat nagenoeg overal wordt verstaan en omdat ik dat
het beste ken als zijnde mijn moedertaal. Maar iedereen kan dit schema
aanvullen of wijzigen met klinkers en voorbeelden uit zijn eigen dialekt. De
sleeptoon wordt aangegeven met een h.

Nederl.

Frans

Duits

Engels

Spelling +

Fon. schr.

Jabeeks

Jabeeks

[                Geen sleeptoon
]
stoottoon sleeptoon
1a De quasi-korte klinkers ie –
ue – oe
iel il dick [i]  ie Mien
Mien
Miehn (naam)
nu nu [y] ue sjuej 
schuw (vr.)
sjuehj schuw
boel boule Butter bull [u] oe boew 
(ik) bouw
boehw 
(de) bouw
1b De lange klinkers îe – ûe – ôe
viel veal [i:] îe vîel  
vijl
viehle 
vijlen(mv)
amuse Gemüsen [y:] ûe kûem 
(ik) kreun
kuehme 
kreunen
douze fool [u:] ôe dôef 
duif
doehve 
duiven
1c De openende tweeklanken ië –
uë – oë
sieren sire Tier fear [i¶]
zië 
zee; zaaien
ziëh 
zien
muur mur Gebühr [y¶]
tuën 
streken
Tuëhn 
Toon
toer tour Ruhr poor [u¶]
sjoën 
mooi
sjoëhn 
schoen
1 d De
openende-sluitendedrieklanken iëw – oëj – uëj
[i¶u]
iew
iëw
eeuw
-
[y¶j]
uëj
kuëjke 
kooitje
-
[u¶j]
oëj
koëj 
kooi
-
II De korte klinkers
zink zinc [I] i zink 
(hij zingt)
zihnk 
(hij) zinkt
elle elf twelve [e]
è
brèng 
(ik) breng
brèhng! 
breng!
geld [e] e geltj 
(u) koopt
gehldj 
geld
dun [r]
u
mundje 
mondje
muhntje 
munten
löss Götter but [?]
ù
klùm 
(ik) klim
klùhm! 
klim!
roman roman Roman [o] ó kom 
(ik) kom
kóhm! 
kom!
vol vol vol vol []]
o
vol 
vol (vr.)
vohl 
vol
al bal all [Y]
a
al
al, reeds
ahl
alles
III De lange klinkers
thee été Tee [I:] ee week
lampenpit
weehk
zacht
par-terre gêne [Lat. caelum] man, fair [e:]
èè
kèèl 
keel
kèèhl 
kerel
neus deux schön [r:]
eu
veul 
(ik) voel
freuht
fruit
freule veulent [?:]
èù
vèùl 
veel
trèùht
trompet
boog beau Bogen [o:] oo oog
oog
oohch
ook
roze broad []:]
oa
loat 
(ik) laat
loaht
lot
dragen valent tragen father [a:] aa draag 
(ik) draag
draahg! 
draag!
IV De sluitende tweeklanken aw -
ow – èj – ùj
gauw []u]
ow
gowwe 
goede
gohwwe 
gouden
Bau bough [Yu]
aw
aw
oude(vr.)
ahwd
oud
rij, rei seigneur [ej]
èj
sjprèj 
sprei
sjprèhj! 
spreid!
lui ?il [?j]ùj vergùj 
vergoed
gùhjje 
gulden

Jo
Bronneberg              www.limburgsetaal.nl

21 januari 2005            reacties naar:
info@limburgsetaal.nl


In Grevenbicht is
er onenigheid over de spelling van de medeklinker die op het eind van hun
dorpsnaam staat. Moet men Beeg met een g schrijven of Beech met ch? De kwestie
is veel ingewikkelder dan men zou denken. Men moet immers heel ver teruggaan in
de taalkundige geschiedenis om hier verstandige dingen over te kunnen zeggen. Zo=n
duizend jaar geleden zijn de mensen in Duitsland en Nederland (en onze Limburgse
voorouders zaten daar midden tussenin) een beetje anders gaan praten. Bij
woorden die bijvoorbeeld eindigen op een g, werd vóór die tijd die eind-g op
dezelfde manier uitgesproken als een g aan het begin van een woord, namelijk met
trillende stembanden. Als men met de toppen van de vingers de adamsappel
aanraakt, voelt men de stembanden bij het uitspreken van die g trillen. Maar ná
die tijd werd de eind-g als een scherpe ch uitgesproken: dan trillen de
stembanden niet mee (probeer maar weer eens uit met de adamsappel). Een woord
als leeg
>lieg=
werd van toen af aan dus als leech uitgesproken. Taalkundigen noemen dit
verschijnsel Auslautverhärtung (harde, scherpe uitspraak van een
eind-medeklinker). Maar men bleef leeg met een g schrijven. Want als men
die woorden langer maakt, dan komt de stemhebbende g-uitspraak weer terug. En er
komt alleen een e achter de g: leeg [uitspraak: leech] wordt lege
>liegen=
[uitspraak: lege en niet leeche]. Zo blijft men van de andere kant
met ich lach lache.

Nu is het al
duidelijk, dat Beech niet tot de woord-categorie leeg-lege behoort.
Want als men de naam Beech langer maakt, dan krijgt men niet Beegenaer of
Beeger Mert, maar Beechtenaer en Beechter Mert. De
ch-uitspraak blijft en achter die ch komt nog een t. Dat komt, omdat de
plaatsnaam Grevenbicht behoort tot die grote groep van woorden die eindigen op -icht,
-echt, -acht, -ócht enz. Deze verliezen in het Limburgs hun t als die t op het
eind van het woord staat: achtachsjpechtsjpech,
leecht
>licht=
> leech, gezicht

gezichlóchtlóch, lucht
>looplamp=
luch. Met plaatsnamen is het precies hetzelfde:  Echt wordt 
Ech
Obbicht wordt ObbeechLùhmmericht wordt 
Lùhmmerich. Beecht
vormt hier geen uitzondering en wordt gewoonBeech.
Als men deze wooorden langer maakt, dan komt, zoals we al gezien hebben, die t
weer terug: Ech wordt EchterboesjLùhmmerich wordt
Lùhmmerichter
vehldj. En Beech wordt Beechtenaere diej op
de Beechter mehrt Beechter kahl verkoohpe.

Natuurlijk mag
iedereen schrijven en spreken zoals hij wil. Zo kan hij os schrijven en
ezel uitspreken, en diegenen die het daar niet mee eens zijn uitmaken
voor
Azeiveraer@.

Jo Bronneberg


Van Meers naar
Maes

Meers is een mooi dorp, rustig
gelegen in een omarming van de Maas. De Limburgse spelling van de naam van het
dorp is een bijzonder interessante kwestie en gevoeliger en ook ingewikkelder
dan men op het eerste gezicht zou denken. De diskussie gaat in eerste instantie
om de vraag: moet je Meas of Maes schrijven? Ik ben voor deze zaak speciaal naar
Meers gereden, op een zondagmorgen na de hoogmis, toen er ruim voldoende
aanspraak was in café De Sjoester en de Witte Börstel. In de Limburgse naam van
het dorp hoort men heel duidelijk de klinker die in de Veldeke-spelling wordt
weergegeven met ae. Toegepast op Meers zou dat Maes opleveren.

Maes-pils, Meas
en Kwatsjkop

Nu is mij uit de gesprekken in
Meers gebleken, dat men daar grote problemen heeft met dat Maes: veel
bezoekers zouden dan, denkend aan de vroegere stadsnaam Maestricht en de oude
riviernaam Maes en vooral aan Maes-pils, ‘maas’ uitspreken en ook nog gaan
vermoeden dat hun dorp iets bijzonders met dat bier te maken heeft. De
Meersenaren, niet te verwarren met de Meerssenaren uit Meerssen, hebben toen,
gezien al deze problemen, al lang geleden de knoop doorgehakt en gezegd: wij
schrijven de naam van ons dorp, zoals wij dat willen en zoals die al jaren lang
verschijnt in onze karnavalskrant de Kwatsjkop: Meas. De gemeente
Stein heeft, zoals gezegd, dat Meas overgenomen. Daarmee was het probleem voor
die van Meers opgelost. En dat men buiten Meers niet Meas zegt maar 
Measj
, zoals men in Stein Stein zegt en elders Sjtein, dat is
hun probleem niet.

Van Meas naar Mèès

Nu zijn die naamborden toch
vooral bedoeld voor de bezoekers. Wij mogen er immers van uitgaan dat de
Meersenaren weten hoe zij de naam van hun dorp uitspreken. Maar  bezoekers die
onbekend zijn met de plaatselijke taal zullen  Meas meestal uitspreken
met de ea zoals in “mea culpa” of in “Beatrix”. Zo bezien is het huidige
naambord dus een misleiding. In Meers wordt dat echter ontkend: in Friesland kun
je als Limburger de Friese namen ook niet uitspreken aan de hand van hun
spelling. En van Veldeke trekken zij zich niks aan, onder meer om genoemde
reden. Maar Meas blijft erg onbevredigend en daarom wil ik graag nader ingaan op
een voorstel dat ik uit de mond van een Meersenaar heb vernomen: Mèès. Dat
voorstel is daarom zo interessant, omdat èè duidelijk zichtbaar het taalkundig
zusje is van ee. Want ee is de lange gesloten ee (de mond is meer gesloten) en
èè is de daarbij horende open klinker (de mond is dan meer open). Hetzelfde
verschil tussen gesloten en open klinker treft men aan bij eu en èù en bij u en
ù. Veldeke schrijft hier respectievelijk voor: ee en ae, eu en äö, u en ö. De
verband aantonende symmetrie is hier volledig zoek. En bovendien hebben zeer
veel Limburgse woorden die volgens de Veldeke-spelling mit äö en ö worden
geschreven, niets te maken met de Umlaut. Voor een Hollander is Meas even
raadselachtig als väöl. Maar als een buitenstaander Mèès leest,
dan zullen dat woordbeeld en zijn uitspraak geen associaties oproepen met
Maes-pils en zal hij al gauw tot een aanvaardbare uitspraak komen. Van de andere
kant is de Heerlense eë, zoals in  Heëlesj Woadbook en keël
‘keel; kerel’, ook ietwat raadselachtig voor een buitenstaander. Hèèlesj
Woadbook en kèèl daarentegen nodigen al gauw uit tot een
acceptabele uitspraak en de lokale kleur kan iedereen er naar believen inleggen.

Van Mèès naar
Mèèhs

De Veldeke-spelling Maes
vertoont nóg een ernstige tekortkoming, net zoals de titel van het Heëlesj
Woadbook. Als men Maes wil uitspreken volgens Veldeke, dan weet men nog
niet, of men die ae met sleeptoon (dus wat zangeriger en wat langer gerekt) of
met stoottoon (kort en krachtig) moet uispreken. Die van Meers weten dat
natuurlijk, maar veel anderen weten dat niet. Welnu, de mensen van Meers spreken
in een zinnetje als Ich goan noa Mèès de naam van hun dorp duidelijk uit
met de karakteristieke sleeptoon bij de èè. Nu is de sleeptoon een zeer
funktionele, want vaak betekenis- en uitspraakbepalende, verlenging van een
klinker. Deze verlenging heeft gemeenschappelijk eigenschappen met de h, te
plaatsen achter de betreffende klinker. Als men het voorgaande toepast op 
Mèès
, dan wordt dat Mèèhs. En zo ziet en hoort men ook meteen het
verschil tussen kèèl ‘keel’en kèèhl ‘kerel’. En ‘t Heëlesj
Woadbook
wordt dan het Hèèhlesj Woahdbook. Als niet-Meersenaar zou ik
er dus voor willen pleiten, dat de gemeente Stein de zeer raadselachtige, zo
niet absurde spelling Meas wijzigt in Mèèhs, een intelligent
voorstel van eigen Meerser oorprong. Trouwens, de gemeente Stein is hier niet
konsekwent: als iemand bij het bevolkingsregister de geboorte van een zoon of
dochter komt aanmelden, dan worden toch ook geen absurde namen en spellingen
geaccepteerd. Waarom dan wél bij Meers? Het dorp is zo liefelijk klein, dat er
maar één naambord veranderd hoeft te worden, want er is ook maar één
toegangsweg.
Gemeentelijke blunders

Bovendien kan de gemeente Stein dan nóg een
blunder corrigeren. De mensen van Meers hebben mij er op gewezen, dat het niet
Klein Meers en Groot Meers is, maar Kleine Meers en Grote Meers. Dat laatste is
in het plaatselijk Limburgs Grwoate met een e en niet Grwoat,
zoals abusievelijk met koeienletters op het huidige naambord vermeld staat.

Jo Bronneberg, Sittard

SLEEPTOON IN HET DIALECT VAN JABEEK

De sleeptoon in de spelling

De sleeptoon is een verlenging die kan optreden bij een klinker en die daarom zulk een belangrijk taalelement is, omdat hij mede uitspraak- en betekenisbepalend is. En daarom wil ik in de spelling, ook in gewone teksten, het verschil aangeven tussen sjoën ‘mooi’ en sjoën, ‘schoen’, diek ‘dik’ en diek ‘dijk’ en kóm ‘(ik) kom’ en kóm’ ‘kom (geb. wijs)’. Nu is het opmerkelijk dat de sleeptoon in de inhoudsopgave van het algemeen gedeelte I van de Veledeke-brochure Spelling 2003 niet eens wordt genoemd en weggemoffeld wordt in paragraafje 14f, dat als titel draagt: het gebruik van ^, ò en é. In het Roermonds gedeelte, deel II, komt hij even ter sprake in de paragraafjes h en i van hoofdstuk 8 dat getiteld is: Inkel ingesjlepe verkeerde sjpellinge. Een belangrijke verklaring voor deze stiefmoederlijke behandeling is dat men bij Veldeke nooit goed geweten heeft hoe de sleeptoon aan te geven. En dat kwam weer, omdat men eigenlijk niet zo goed wist wat de sleeptoon eigenlijk is. En tóch zijn er alle mogelijke voorstellen gedaan om de sleeptoon aan te geven: de klinker dik gedrukt, schuin gedrukt, met één puntje vóór de klinker, achter de klinker, onder de klinker, boven de klinker, twee puntjes vóór, achter, boven, onder, één bolletje op genoemde plaatsen, één recht streepje, één schuin streepje, twee van zulke streepjes op alle mogelijke plaatsen in alle mogelijk richtingen. In de vorige Veldeke-spelling werd een hoedje op de klinker aanbevolen, en als daar al een ander diacritisch teken stond, dan weer weg met dat hoedje! Dat was natuurlijk niks. Daarom komen zij in de spelling van 2003 met heel iets anders: de sleeptoon wordt voortaan aangegeven met een tilde (een soort slangetje: ~), overgenomen uit het Spaans, ofschoon iedereen weet, dat die tilde, zoals in señor, totaal niets te maken heeft met een sleeptoon. Vervolgens hebben zij gedacht: als je de sleeptoon aangeeft met een tilde, dan moet je de stoottoon aangeven met een backslash (een achteroverhellend streepje: \). Menigeen zal hier verbaasd opkijken, ook al omdat het in het geheel niet nodig is in een gewone tekst de stoottoon apart aan te geven. Want de stoottoon vormt geen enkel probleem in de uitspraak, omdat die uitspraak nagenoeg geheel overeenkomt met de uitspraak van de beklemtoonde klinkers in de ons omringenende talen. Alleen de sleeptoon met name is karakteristiek voor de meeste Limburgse dialekten en die alleen wordt met dat karakteristiek accent/stemgeluid uitgesproken en ook in een gewone tekst aangegeven. Waarmee geenszins gezegd wil worden, dat de sleeptoon een belangrijker taalverschijnsel zou zijn dan de stoottoon.

In dit verband wil ik citeren uit het “Historisch onderzoek van sleeptoon en stoottoon in het dialect van Genk”, in Handelingen van de Koniklijke Commissie voor Toponomie en Dialectologie 23 (1959), van professor dr. J. Goossens citeren, waarin hij op pagina 146 en 147 opmerkt: “In Duitsland ging de aandacht van de taalkundigen van meet af aan vooral naar de stoottoon. Het gevolg was dat men vooral de voorwaarden ging onderzoeken waaraan het voorkomen van dit laatste accent verbonden was. In Limburg daarentegen werd de sleeptoon door de eerste dialectonderzoekers als de merkwaardigste en ook als de normale toon beschouwd. Het gevolg was dat men de stoottoon misschien te zeer als een “uitzonderingsaccent” ging aanzien. (…) Sluit men zich echter aan bij de mening van Dr. J. Leenen [in: Die Rheinische Akzentuierung in Limburg. Rheinische Vierteljahrsblatter, XVII (1952) (Festschrift Theodor Frings), blz. 392] (“Wir sind der Ansicht, dass beide, sowohl Schleifton wie Stosston, von bestimmten, genau festgelegten Gegebenheiten abhängig sind, wie Ursprung der akzenttragenden Vokale, Art der folgenden Konsonanten, Silbenzahl des Wortes. Wir schliessen dass keine der beiden Formen im Vergleich zur anderen als sekundär betrachgter werden kann”, dan moet men naast het gebied van de stoottoon ook dat van de sleeptoon precies afbakenen (…). Waarmee niet gezegd is, dat in de ‘gewone’ spelling zowel de stoottoon als de sleeptoon aangegeven moet worden. Het aangeven van de sleeptoon is voldoende.

De keuze van de spellingvommissie van Veldeke voor de tilde en de backslash heeft alles te maken met een computertoetsenbord: “De tekens ~ en \ zijn gekozen, omdat ze allebei op het thans gangbare computertoetsenbord ‘VS-international’ voorkomen”, zo luidt het in de brochure “Spelling 2003″, pg 18. Met andere woorden: zodra dat toetsenbord niet meer gangbaar is, zal er naar wéér andere tekens moeten worden uitgekeken. Daar heeft de commissie nartuurlijk ook aan gedacht en daarom volgt zij een andere Veldeketraditie: ontraad het aangeven van de sleeptoon en zet daar nu druk achter door een paar voorbeeldzinnen met tilde en backslash onleesbaar te maken. Dat is gebeurd op pagina 31. De eerste zin luidt: “Es m’\n i\n la\nger sjtökker teks dee\s tei~kens zit, is det nee\t goo\d veu~r ‘t lae~ste~mpo\: dee\s tei~kens hi\njere bie~ ‘t lae~ze.”

Nu zijn er veel taalgeleerden, zoals de Maasbrachtenaar dr. Ben Hermans van de Universiteit van Tilburg en de Genkenaar prof. dr. Jan Goossens van de Universiteit van Leuven, die met de grote Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure zeggen: “Le signe linguistique est arbitraire”, dat wil zeggen: Je kunt willekeurig welk zichtbaar teken gebruiken om niet alleen de sleeptoon, maar ook elke andere spraakklank of intonatie aan te geven, onder de conditie natuurlijk dat je consequent bent. Maar hoe consequent je ook bent, de tilde en de backslash maken een tekst onleesbaar, zoals wij zojuist gezien hebben, vooral als men die tekens te pas en te onpas misbruikt op plaatsen waar er in het geheel geen sprake is van sleeptoon of stoottoon. Want een van de kenmerken van sleep- en stoottoon is, dat die alleen gerealiseerd worden bij klemtoon: geen klemtoon, geen sleeptoon noch stoottoon. Maar de voltallige spellingcommissie heeft dat niet in de gaten en zet een tilde of backslash ook op plaatsen die geen klemtoon krijgen, zoals in de geciteerde onzin bij in, veur, bie, mer. Het treurigste bewijs van nogal wat gebrek aan enig inzicht in deze materie is de backslash-stoottoon bij het tweede woordje van de zin: m’n. Dat m’n heeft zo weinig klemtoon, dat de zwakke e die daar eigenlijk hoort te staan, in de uitspraak praktisch helemaal verdwenen is; vandaar dat apostrofje. Welnu, dat nietig apostrofje krijgt van de voltallige commissie unaniem een backslash, een stoottoon! Hoe haar leden een niet-klinker met stoottoon uitspreken is mij een raadsel.

Natuurlijk, je kunt met de Saussure van alles afspreken en willekeurig n’importe welk teken kiezen om de sleeptoon aan te geven en dan bijvoorbeeld afspreken, dat een dubbele x of een backslash (of is het de tilde?) de sleeptoon aangeeft. De rampzalige gevolgen daarvan hebben wij zojuist gezien. Daarom heb ik tóch een oplossing voor het probleem van de weergave van de sleeptoon willen zoeken in een vertrouwd letterteken. Maar dan moet je niet wíllekeurig, maar kíéskeurig te werk gaan. De hamvraag is dan: welk letterteken is het meest geschikt om de sleeptoon weer te geven?

Het hele sleeptoongebeuren speelt zich telkens af in elk van de afzonderlijke klinkers, zonder uitzondering (behalve de schwa), en wel in een verlenging daarvan. Daarmee vervallen eigenlijk alle medeklinkertekens en de tekens voor de halfklinkers j en w. En ook alle klinkertekens zelf, want waarom zou je het ene klinker-teken verkiezen boven het andere als het sleeptoongebeuren zich in alle klinkers afspeelt? De klinkers hebben zich in het verleden tot op de dag van vandaag veelvuldig zelf bedropen om hun verlenging aan te geven. Zo is menigmaal het letterteken voor een korte klinker verdubbeld om zijn lange tengenhanger aan te duiden: de a werd aa, de e werd ee, de u wordt uu etc. Maar dat is niet altijd zo geweest: ooit werd b.v. de lange a aangegeven door een e achter de a te zetten: Maestricht. Zo werd de o ook wel eens verlengd door een i achter een o te zetten: Oirsbeek, Oirbons.

Welnu, als alle medeklinker-, klinker-, en halfklinkertekens een onbevredigende oplossing bieden, dan blijft geen enkel ander letterteken over om naar zijn gebruiksmogelijkheden te onderzoeken dan de h.

Aan de h als signifiant (zichtbare betekenisdrager) geef ik de volgende signifié (betekenis, definitie): De h is het letterteken dat gebruikt wordt om die spraakklank aan te duiden die men hoort als de lucht vanuit de longen door de geopende stembanden via de mond naar buiten stroomt. De geleerden zijn het onderling niet eens over bepaalde eigenschappen van de h. Sommigen zeggen dat het een medeklinker is (Booij, Trommelen en Zonneveld, van den Berg), anderen (van Bakel) zeggen dat het noch klinker, noch medeklinker is, en zo zijn er meer omstreden kenmerken. Maar over één eigenschap is iedereen het eens: het is een continuant, dat wil zeggen: de lucht stroomt continu door. Van Bakel noemt het kenmerk continuant zelfs de het enige kenmerk van de h. En dat is wat ik in mijn definitie bedoel met die luchtstroom.

Zeer vaak hoor je de h aan het begin van een woord vóór een klinker, de pre-vokale h. Nu kun je die klinker ook uitspreken uitgaande van gesloten stembanden en die dan vervolgens ineens openen. Dan krijg je het verschil tussen bijvoorbeeld Han en An, hen en en, hik en ik, hof en of.

De Duitsers zien in de h en horen in die luchtstroom een mogelijkheid om een lange klinker aan te duiden. Je krijgt dan de zogenoemde Dehnungs-h: Sohn. Zo gebruikt professor Goossens, ongetwijfeld in navolging van de Duitsers, een h om de lange ie en oe in het Genks aan te geven. Deze taalgeleerden zien blijkbaar toch in het taalkundig verschijnsel h eigenschappen die ook het verlengingsproces van een klinker heeft, al was het alleen maar de luchtstroom die door een h wordt aangeduid en die de verlenging mogelijk maakt. Wij hebben dan in zekere zin te maken met een post-vokale h. In dit verband heb ik enig vermoed waarom achter de naam van sommige Chinese restaurants een h staat achter een klinker, zoals, meen ik, bij Wah: een restauranthouder vertelde mij, dat de a dan langer wordt uitgesproken!

Hoe dat ook zij, als je genoemd Duits gebruik van de h niet persé nodig hebt, en je bijvoorbeeld in plaats van ieh en oeh îe en ôe schrijft, dan kun je de h gebruiken om een andere verlenging van een klinker aan te duiden, namelijk die verlenging waarin zich het sleeptoongebeuren afspeelt. En dat is wat ik gedaan heb.

Als men in de boven geciteerde, onleesbare gemaakte zin de backslash en de tilde weghaalt en de tilde (of is het de backslash?) op de juiste plaatsen vervangt door een h en ook nog hier en daar wat andere orde aanbrengt, dan krijgt men een een voortreffelijk pleidooi vóór de h en tégen de tilde en tégen de backslash en alle andere willekeurig gekozen tekens om de sleeptoon aan te geven: “Es m’n in langer sjtùkker teks dees tèhjkes zit, is det neet good veur ‘t lèèstehmpo: dees tèhjkes hihnjere biej ‘t lèèhze.” Leestip: de sleeptoon-h geeft een natuurlijk, vloeiend, zangerig uitspraakproces weer en moet niet los en overdreven aangezet worden. Ook hier baart enige oefening kunst.

Hiermee is nog lang niet alles gezegd over de sleeptoon zelf. Voor op- en aanmerkingen en aanvullingen houd ik mij van harte aanbevolen.

Overigens wordt de h niet alleen maar gebruikt om lange/verlengde klinkers aan te duiden. Er zijn Engelsen die soms een h’tje uitspreken achter een t en een p; anderzijds zijn er Fransen die met geen mogelijkheid überhaupt een h kunnen uitspreken. De Griekse phi (ph), chi (ch) en thèta (th) zijn in zeker opzicht respectievelijk een verlengde p, k en t. Ik weet niet waarom er bij de aardrijkskundige namen Thailand en Phuket een h staat achter de t en de p. Ik weet evenmin of er een studie bestaat waarin al deze en andere aspekten van de bijzonder interessante h behandeld worden.

Jo Bronneberg.

Tekst voltooid op 11 januari 2005 en aangevuld met het citaat uit het werk van prof.Goossens op 18 januari 2005.

FRAGMEHNTEN OET DE LIHMBURGSE BIEHBEL

Fragmehnten oet de Lihmburgse biehbelvertaling                                                                           (vuërleuhpigen teks en sjpelling)

doër Jo Brónnebehrg

Noch ‘t Limburgs Dagblad, noch de Limburger,
noch Maas en Mijn hùbbe passages oet mien vertaling wille pueblisèère. Cor
Bertrand, den hoofredaktèùhr va Keerpunt, de kezètte-pahgina van ‘t Bisdom
Remunj in de Trómpetter, leet mich noa ee verzeuk doaróm ónger ahngere wehte:
“Ik ben tegenstander van het gebruik van welk dialect dan ook in de liturgie.
Daarvoor is een officiële taal vereist. Reden waarom ik de mening van de
Nederlandse bisschoppen deel, dat zeker wezenlijke teksten van de Mis geen
dialect mogen zijn, maar een verheven taal. Mijns inziens is: “In het begin
was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” veel mooier dan
welke vertaling in dialect ook. Ik doe daarom niet mee aan de trend om alles
maar in dialect te vertalen. (…) We hebben een prachtige taal: het
Nederlands. (…) Waarom ben jij er toe gekomen om het ware monnikenwerk: de vertaling van het Evangelie in het Sittards, te verrichten? Meer ander werk
zou, althans in mijn ogen, zoveel energie waard zijn.”

Dus wiej mie moëhder, nog betrèkkelik jóhnk, tot hèùr óntsjtèltenis ene preester mit ‘t Sakramehnt van de Sjtehrvende noa  zich hèèhr zoog kóhmme en zag: “Mót ich noehw al sjtehrve?” zow het vèùl sjóhnder en verhiëhvener geklóhnken hùbbe, es ze gezag hej: “Moet ik nu al sterven?”

Maria noa Eliehzabet
Maria baarden hèùre zoëhn Jezus
De sjiëpisj en den èhngel
De driej kuëhninge
Broehlef i Kana: Doët wat
hèèh uch zèèt

Jezus en de Samaritaanse vrow
De ziëlig-sjprèèhkinge
Wat mak ger uch toch bezùrrig?
Hoal iësj de bahlk oet dien
ehgen oog

‘t Hoehs op de rots
en ‘t hoehs op de zahnjd

Ene ziëer góng oeht óm te zië
De kop van
Joëhannes den Deuhper op een sjoëhtel

Vîef doehzend mahhn geef
hèè te èèhte

Wèè mich wilt vohlge,
mót zie kruts oppakke

Siëhvetig moal ziëhve moahl
vergèèhve

De bermhertige Samaritaan
Vahder van ós in den hiëhmel
Vroagt en uch zal gegèèhve
wèèhre

De luej diej neet noa
den dinee wolle goah

De verloahre zoëhn
De riehke mahn en den
erme mahn Lahzarus

De Farizèjjer en den tollenèèr
Dèè oane zunj
is, dat dèè den iësjte sjteeh wuhrp

De genèèhzing van de
blèhnjdgeboahrene

De Farizèjjisj en de
genèèhze blènje

Ich geleuf, Hiër
Ich bèn de gowwe sjiëper
‘t Is
gemèèhkeliker vuër ene kamiël doër ’t oog van een…

Viëhr hùbbe de las van
den daahg gedrahge

Ich bèn de verriehsenis en
’t lèèhve

Jezus begós te bèùhke
Lahzarus, kóhm noa boehte
Giëhr mak va mien hoehs
ee sjehlmenhèùhl.


Gef wat van de kehzer is aan de kehzer en wat va God is aa God

De doë verriehze
Wat is ‘t grótste geboahd in
de wèt

De vîef dóm mèèdjes
en de viehf versjtenjige

De gegèèhve talehnte
Ich haw
hóhnger, en giër hùb mich niks te èèhte gegèèhve

Iër den haan twiëh moahl kriët
En den haan kriëde vuër
den twiëde moahl

Den Hoëge Road: Hèè is
den doëd sjùljig

Wiej ze hèùm aan ‘t
kruts gesjlahgen hahwwe

Jezus geef de geehs
Hèè is verriëhze

‘t Woëhrd is vleehsj woëhre


(Joëhannes
01,01-18) Terug naar
boven

01 01 In ’t begihn woar ’t Woëhrd, en ’t Woëhrd woar biej God, en ’t Woëhrd woar God. 02 Dit woar in ’t begihn biej God. 03 Alles is doër hèùm óntsjtahnge, en boehten hèùm óm is neet eehn dèhnk óntsjtahnge va wat óntsjtahngen is. 04 In hèùm woar ’t lèèhve, en ‘t lèèhve woar ’t leech van de luej. 05 En ’t leech sjint i genduehster, en den duehster hèèt ’t neet begriëhpe.

06 Doa woar ene mahn, doër God gesjik; ziene naam woar Joëhannes. 07 Dèè keem óm te tûege, doamit hèè zow tûege van ’t leech, doamit jiëdereehn doër hèùm zow geleuhve. 08 Hèèh woar neet ’t leech, mê hèè

keem óm te tûege van ’t leech.

09 ’t Ech leech, dat jiëhder miensj verleech, keem
in de welt. 10 
God, ‘t Woëhrd
woëdoër de welt is óntsjtahnge, woar in de welt en de
welt hèèt ‘t neet erkènd. 11 Hèè is biej zich heehm kóhmme, en de zîen
hùbben hèùm neet óntvahnge. 12 Mê al diejgenige, diej hèùm hùbben óntvahnge,
aan dehn hèèt hèè ‘t rech gegèèhve kèhnjer Goads te wèèhre, aan huhn diej
gleuhven i ziehne naam, 13 diej neet oet blood, en neet oet de wihl van ’t
vleehsj en oohch neet oet de wihl van de mahn, mê oet God geboahre zihnt.

14 En ’t Woëhrd is vleehsj woëhre en het hèèt ónger
ós gewóhnd en ver hùbbe zien hiërlikheehd geziëhn, ’n hiërlikheehd diej hèèh,
es èhnsigste kèhnjd, hèèt van zie Vahder, vohl va genoade en woarheehd. 15
Joëhannes tûeg van hèùm, went hèè oehtreup: Dit woar degenige va wèèm ich
zag: Dèè wat noa mich kuhmp, is vuëhr mich i rang, want hèè woar der ahl,
iër ich der woar. 16 En va ziehnen uëhvervlood hùbbe viëhr allenej gekriëhge,
genoade op genoade. 17 Want de wèt is doër Moëzes gegèèhve woëhre, mê de
genoade en de woarheehd zihn doër Jezus Christus kóhmme. 18 Niëhmes hèèt
oëts God geziëhn; den èhnsigste Zoëhn Goads, dèè aan ’t hart van de Vahder
ligk, dèè hèèt hèùm bekènd gemak.
.
(Luekas 01,39-56)
Terug naar boven

39 In diej daag pakde Maria
zich op en sjpowde zich noa de behrgsjtriëhk, noa een sjtad i Juedèjja. 40
Ze góng noa bènnen in ’t hoehs va Zacharias en sjprook Eliehzabet
vruhnjtelik aahn. 41 En wiej Eliehzabet de vruhnjtelike aahsjproak va Maria
hoëhrt, gebuëhrden ‘t, dat ’t kienjde in de sjoët van hèùr opsjpróng; en
Eliehzabet woërt vervùld van den Hèhlge Geehs. 42 En hehl ropend zag ze:

Giëhr zeet de gezèèhngende ónger de vroluej

en gezèèhngend is de vruch van uëre sjoët.

43 En woë aahn hùb ich ‘t te dahnke,

dat de moëhder va mienen Hiër noa mich hèèhr
kuhmp?

44 Want zeet, wiej de klahnk van uër
vruhnjtelike aahsjproak

i mien oëre keem,

sjpróng ’t kienjde vohl bliejdsjap op i miene
sjoët.

45 En gelùkziëlig diej geglof hèèt, dat dat
oeht zal kóhmme,

wat hèùr names den Hiër gezag is woëhre.

‘t Magnificat: Mien ziël bezink wiej groët
den Hiër is.

46 En Maria zag:

Mien ziël bezink wiej groët den Hiër is,

47 en de geehs va mich juebelt va God, miene
redder,

48 ómdat hèè hèèt ómgeziëh

noa zien gahns eenvodige deensmaag.

Want zeet, va noehw aaf aah zullen alle
gesjlachte mich ziëlig priehze,

49 ómdat de Mechtige groëte dèhnger mit mich
hèèt gedoahn.

En hèhllig is ziene naam.

50 Zie mitliehje geeht va gesjlach op
gesjlach

noa diej wat óntzag vuër hèùm hùbbe.

51 Hèè hèèt de krach va zienen ehrm loate
ziëhn:

De hoëgmuiige van hart mit hun ibihljing

hèèt hèè oetereeh gesjlahge.

52 Hèè hèèt mechtige van den troën
gesjtoëte

en verhiëhven hèèt hèè eenvodige.

53 Diej hóhnger liehje hèèt hèè vohlgesjtop
mit gow gaves

en riehken hèèt hèè lèègerhenj eweggesjik.

54 Hèè hèèt gezùrg vuër Israêl, de knech va
zich,

herinnerend aa zien bermhertigheehd,

55 jus wiej hèè dat versjproahken hèèt aan de
vahdisj van ós:

Aan Abraham en zie noagesjlach in iëwigheehd.

56 Maria bleef zoëget driej moanjd biehj hèùr en góng
doew wèèr hehvisj.

‘t Benedictus: De
profiëtisje wuërd va Zacharias. (Luekas 01,67-80)
67 En Zacharias, [de vahder
va Joëhannes den Deuhper], woërt vervùld van den Hèhlge Geehs en sjprook de
profiëtisje wuërd:

68 Gezèèhngend
den Hiër, de God van Israêl,

ómdat hèè zie voohk is kómme bezeuke

en zien verlossing hèèt bewèhrk.

69 Hèè hèèt ene mechtige Redder
doën opsjtoah vuër ós

in ’t hoehs van David, zienen deensknech,

70 wiej hèèh va vreuger hèèhr gezag hèèt

doër de moehnjd va zien hèhlge profiëte:

71 dat ver gered zowwe wèèhre van oes viejenj

en oet de hahnjd van al diejgenige diej ós
hahte,

72 ómdat hèè mitliehjen haw mit de vahdisj
van ós

en zich zien hèhllig verbóhnjd herinnerde,

73 den eehd, dèè hèèh hèèt gezjwoahren

aan Abraham, de vahder van ós,

74 dat hèèh ‘t ós zow gèèhven hèùm te dene

zóhnger en oet de hahnjd van de viejenj
verlos,

75 in hèhlligheehd en richvèèrdigheehd
tèèngenuëhver hèùm,

jiëhderen daahg van oes lèèhve.

76 En doehw, kienjde:

profiët van den Hoëhgste zulste geneump
wèèhre,

want doehw zuls vuëhr den Hiër oehtgoahn

óm de wèèg vuër hèùm te bane,

77 en óm zie voohk te versjtoahn te gèèhve,

dat ze gered zulle wèèhre doër de vergèèhving
van hun zunj,

78 doër ‘t mitliejend hart van de God van ós,

woëdoër ‘t Opgekómme Leech oet den hiëhmel ós
zal bezeuke

79 óm te sjiehne vuër dehn, diej i
genduehster zitten en in de sjeem van den doëd,

óm de veut van ós rech noa de wèèhg van de
vrèj te lèhjje.

80 En ’t kèhnjd wees en woërt sjtehrk va geehs. En
hèè woar in de wihljernis bis op den daahg, dat hèè zich leet ziëhn in
Israêl.
. (Luekas
02,01-20) Terug naar
boven

02 01 Noew
gebuëhrden ’t in diej daag, dat va kehzer Augustus ‘t bevèèhl oehtgóng, dat
in de gahnse bewóhnde welt
een vohlkstèlling gehahwte moos wèèhre. 02 Dit woar de iësjte vohlkstèlling,
wiej Quirinius goevernèùhr va Siëhrieje woar. 03 En allenej góhnge ze zich
loaten isjriehve, jiëhdereehn i zien ehge sjtad. 04 En oohch Joëzef góng
vanoet de sjtad Nahzaret i Galilèjja noa Juedèjja, noa de sjtad van David,
diej Betlehem heehsj, ómdat hèèh oet ’t hoehs en ’t gesjlach
van David woar, 05 óm zich te loaten isjriehve mit Maria, zie mèèdje, dat i
verwachting woar.

06 En wiej ze doa woahre, woar ‘t zoëh, dat ziej ‘t
kienjde kreeg, want hèùr daag woaren oehtgetèld, 07 en ze baarden hèùre
zoëhn, den iësjgeboahrene, en ze dèj hèùm wèhnjelen óm en lag hèùm in ene
krub, ómdat vuër huhn geen plaatsj woar in den hehrbehrg.

.
Terug naar boven

08 En doa woahren oohch sjiëpisj in dèèzellefde
sjtriëhk; diej lohgen ‘t sjnachs i gevehljd en hóhlje de wach biej den trob
sjèùp van huhnne. 09 En enen èhngel dès Hiëre keem biehj hun sjtoahn en de
hiërlikheehd van den Hiër ómsjtroalde huhn, en ze woërte bang mit groëten
angs. 10 En den èhngel zag tèèngen huhn: Zeet neet bang, want kik, es good
nuejts brèng ich uch een groëte bliejdsjap, diej uëver gahns ‘t voohk zal
kóhmme, 11 want huej is uch in de sjtad van David de redder geboahre, dèè de
Christus, de Messias, is, den Hiër. 12 En dit zahl vuër uch ’t tehke
zihnne: Ger zult ee kienjde vèhgne mit wèhnjelen óm en ligkend in ene krub.
13 En op eehmoahl woar biej den èhngel ee massaal lèèhger oet den hiëhmel,
dat God priëhs en zag:

14 Iër aa God hiël hoëg in den hiëhmel

en vrèj op de welt vuër de luej va gowwe
wihlle.

15 En wiej de èhngele va biej dehn vandaan noa den
hiëhmel woare gegahnge, gebuëhrden ‘t, dat de sjiëpisj tèèngen eeh zagte:
Kómp, da góhnt ver noa Betlehem en kiehk ver wat dat is, wat doa gebuëhrd is
en wat den Hiër ós bekènd hèèt gemak. 16 En ze sjpowde zich der hèèhr en
vóhnge Maria en Joëzef en ’t kienjde, dat in de krub loog. 17 En wiej ze dat
hawwe geziëh, makde ze de wuërd bekènd, diej hun uëver dat kèhnjd gezag
woare woëhre. 18 En alle luej diej dat hoëhrte, wóhnjerde zich uëver wat hun
doër de sjiëpisj vertèld woëhrt. 19 En Maria bewaahrde diej wuërd allenej in
hèùr hart en dach doa uëver noa. 20 En de sjiëpisj góngen truk, God
verhiërlikend en priehzend vuër ahl wat ze hawwe gehuërd en geziëh, krek
wiej ’t hun gezag woar woëhre.

. (Mattèjjus 02,01-12)
Terug naar boven

02 01En zeet,
wiej Jezus noew i Betlehem i Juedèjja woar geboahre, in de daag van kuëhning
Hiëroëdes, kemen
driej wîezen oet ‘t oësten i Jeruezalem aahn, 02 en diej zagte: Woë is de
kuëhning van de Juede, dèè jus geboahren is? Want viër hùbbe zien sjter in
‘t oëste geziëhn en ver zi kóhmmen óm vuër hèùm nèèr te knèjje en hèùm te
veriëre. 03 Wiej kuëning Hiëroëdes dat hoëhrt, sjrók hèèh en gahns
Jeruezalem mit hèùm. 04 Hèè reep de hoëgpreestisj en sjrifgeliërde van ‘t
voohk allenej biejeehn, en probèèrde van huhn te wehte te kóhmme, woëh de
Christus, de Messias, geboahre zow wèèhre. 05 En diej zagten hèùm: I
Betlehem i Juedèjja, want zoë sjteet gesjriëhve doër de profiët:

06 En doehw, Betlehem, in ‘t lahnjd va Jueda,

doew bès gaar neet de minste van de
aahvèùrdisj va Jueda.

Want oet dich zal enen aahvèùrder kóhmme,

dèè de sjiëper zal zihn va mie voohk Israêl.

07 Doew reep Hiëroëdes in ‘t geheem de driej wîeze
biehj zich en vroog hun oeht uëver den tiehd, dat de sjter hun versjiëhne
woar. 08 En hèè sjikden hun noa Betlehem en zag: Goat uch ens richtig
ómhuëre, wiej dat zit mit dat kèhnjd, en went ger het vóhngen hùb, kómp ‘t
mich da vertèlle, da kèn ich oohch der vuër goa nèèrknèjjen en het veriëre.
09 Wiej ze zich de kuëhning aahgehoëhrd hahwwe, góhnge ze weg. En kik: De
sjter, diej ze in ‘t oëste geziëhn hahwwe, góng vuër hun oeht, bis ze sjtil
góng sjtoah boave de plaatsj, woë ‘t kèhnjd woar. 10 En wiej ze de sjter
zohge, woërte ze bliej mit gahns groëte bliejdsjap. 11 Ze góhngen ‘t hoehs
ihn en zohgen ‘t kèhnjd mit Maria, zie moëhder. Ze lehte zich op de knèjje
valle en veriërden het. Doew makde ze de zak mit hun sjatten oahpe en
dèhjjen het goohd, wiëhroohk en mirre
kadoë. 12 En ómdat ze in enen dreuhm gewaahrsjuejd woahren óm neet noa
Hiëroëdes truk te goah, góhnge ze uëver enen ahngere wèèhg wèèr truk noa hu
lahnjd.
.
(Joëhannes02,01-11) 
Terug naar boven

02 01 [Doa] woar
een broehlef i Kana i Galilèjja, en oohch de moëhder va Jezus woar doah. 02
Genuëd op de broehlef woaren oohch Jezus en zien liërlinge. 03 En wiej de
wiehn op woar, zag de moëhder va Jezus tèèngen hèùm: Ze hùbbe gene wiehn 
miëh
. 04 Doew zag Jezus tèèngen hèùr: Wat hùb  ich mit uch te mahke,
vrow          ‘t
Is óhngetwiehfeld dees relaahsje tùsje Christus en zie moëhder en dees rol
va middelèèsje tùsjen hèùre Zoëhn en de luej, diej bis op den daahg va
vandaag óhntèlbaar vèùl luej noa de Móder Goads dónt goah. Jus wiej dat
gebuëhrde mit doaminië Arend Schraal en zien vrow, diej katholiek begóste te
wèèhre in de Lourdes-grot van ‘t Kapuesîener-kloëster va Meersel-Dreef. Dat
vóhnge ze ehrg opmehrkelik, want, zoë zag den doaminië, “wij (protestanten)
kennen Maria vooral van het ‘vrow-wat-heb-ik-met-u-te-maken?’ Bliehkbaar is
dat de biehbelse zin, woë de protestahnten hun aahfwiehzing van de
katholieke Maria-veriëring aan ophahnge. Van den ahngere kahnjt is mich
gebliëhke, dat de bèste katholieke pesjtuësj de zin Wat hùb ich mit uch
te mahke?
in hun prèèk uëver de broehlef i Kana eweg loate!? Miehnen
tiehd is nog neet kóhmme. 05 Zie moëhder zag tèèngen de bedeendes: Doët, wat
hèèh uch zèèt. 06 Noew sjtihngen doa zùs sjtehne wahterkroehke volges ‘t
renigingsgebroehk van de Juede; in ehlke góhnge tachetig of hónderd twihntig
liehter. 07 Jezus zag tèèngen huhn: Vùlt diej wahterkroehke mit wahter. En
ze vùlde ze bis boahvenaah. 08 Doew zag hèè huhn: Sjùp noehw get droeht en
brènk dat noa de sèèremohniejmeehster. En dat dèhjje ze. 09 En wiej de
sèèremohniejmeehster ’t wahter, dat wiehn woar woëhre, gekoard haw (hèè wos
neet woë dèè vandaan keem, mê de bedeendes, diej ‘t wahter gesjùp hahwwe,
wosten ’t), reep de sèèremohniejmeehster de broehdegóm 10 en zag tèèngen
hèùm: Jiëhdereeh servèèrt iësj de gowwe wiehn, en went ze good gedróhnken
hùbbe, de sjlechtere. Mê giëhr hùb de gowwe wiehn bis noehw bewaahrd.

11 Dit, ‘t iësjte va zien tehkene,
hèèt Jezus gedoahn i Kana i Galilèjja en hèè hèèt zien hiërlikheehd getuënd.
En zien liërlinge gelofden in hèùm.
. (Joëhannes
04,05-42) Terug naar
boven

04 05 [Jezus]
keem hèè in een Samaritaanse sjtad, Sichar geneump, kort biej ’t sjtùk
lahnjd, dat Joakob haw gegèèhven aa Joëzef, de zoëhn vahn zich. 06 En doa
woar de brón va Joakob. Ómdat Jezus meug woar woëhren doër ’t lohpen uëver
de wèèhg, haw hèè zich biej de brón gezat. ’t Woar róhnjd de middig.

07 Doew keem een vrow oet Samaria óm wahter
te pùtte. Jezus zag tèèngen hèùr: Gef mich get te drèhnke. 08 Want de
liërlinge vahn hèùm woare noa de sjtad gegahngen óm èèhte te gehjje. 09 Doew
zag de Samaritaanse vrow tèèngen hèùm: Wiej kènt giëhr, es Jued zeende, aa
mich, een Samaritaanse vrow zeende, te drèhnke vroage? Juede góhnt namelik
neet óm mit Samaritane. 10 Jezus geef ahnjtwoëhrd en zag tèèngen hèùr: Es
giër wos, wat God giëf, en wèè ’t is, dèè tèèngen uch zèèt: Gef mich get te
drèhnke, dan hejt giëhr hèùm dróm gevroag en dan hej hèèh uch lèèhvend
wahter gegèèhve. 11 Hiër, zag de vrow tèèngen hèùm, giër hùb nog neet èns
enen tob en de pùt is deep: Woëh holt giëhr dahn dat lèèhvend wahter vandaan?
12 Giëhr zeet toch neet grótter ès oeze vahder Joakob, dèè ós de pùt hèèt
gegèèhven en dèè doa zellef oet gedróhnken hèèt en de zuëhns vahn hùm en ’t
vië vahn hùm. 13 Jezus ahnjtwoëhrdde en zag tèèngen hèùr: Jiëhdereehn, dèè
van dit wahter drihnk, zal wèèr doëhsj kriehge. 14 Mê wèè van ’t wahter zal
drèhnke, dat ich hèùm zal gèèhve, dèè zal i geen iëwigheehd mië doëhsj
kriehge. Want ’t wahter, dat ich hèùm zal gèèhve, zal in hèùm een wel wèèhre
van wahter, dat opbórrelt en iëwig lèèhve giëf. 15 De vrow zag tèèngen hèùm:
Hiër, gef mich dat wahter, da krieg ich gehnen doëhsj miëh en hoof ich neet
mië hiehj te kómme pùtte.

16 Jezus zag tèèngen hèùr: Goat en roop de mahn vahn
uch en kómp hiehj truk. 17 De vrow geef ahnjtwoëhrd en zag tèèngen hèùm: Ich
hùb gene mahnne. Jezus zag tèèngen hèùr: Dat hùb ger richtig gezag: Ich hùb
gene mahnne. 18 Want viehf mansluej hùb ger gad, en dèèt ger noehw hùb, is
uege mahn neeht: Dat hùb ger noa woarheehd gezag. 19 De vrow zag tèèngen
hèùm: Hiër, ich ziën, dat giëhr ene profiët zeet. 20 De vuëhrvahdisj van ós
hùbben op dizze behrg God aahgebèèd, en giëhr, Juede, zègk,
dat i Jeruezalem de plaatsj is, woë me God mót aahbèè.
21 Jezus zag tèèngen hèùr: Gleuf mich, vrow, de oër kuhmp, dat giëhr 
Samaritane
noch op dizze behrg, noch i Jeruezalem de Vahder zult aahbèè.
22 Giëhr bèèt aah, wat ger neet kènt, viëhr bèè aah wat ver kènne, want de
redding kuhmp van de Juede. 23 Mê de oër kuhmp, en diej is der noehwe, dat
de woarechtige aahbèè-isj de Vahder zullen aahbèè i geehs en woarheehd, want
de Vahder zeuk luej, diej hèùm zoëh aahbèè. 24 God is geehs en diejgenige,
diej hèùm aahbèè, mótten i geehs en woarheehd aahbèè. 25 De vrow zag
tèèhngen hèùm: Ich weeht, dat de Messias kuhmp, dèè Christus geneump wurt.
Went dèè kuhmp, da zahl hèè ós ahl oetereehlègke. 26 Jezus zag tèèngen hèùr:
Dat bèn ich, dèè mit uch kal.

27 En doa op kehme zien liërlingen aahn, en ze
verwóhnjerde zich, dat hèè mit een vrow woar ent kalle. Niëhmes èèvels zag:
Wat zeuk giëhr biej dêr, of wat kalt giëhr mit diej? 28 Doew leet de vrow
hèùr wahterkroehk achter en góng noa de sjtad en zag tèènge de luej: 29 Kómp
ens mit kiehke noa ene mahn, dèè mich ahl gezag hèèt, wat ich gedoahn hùb.
Dat zahl toch neet de Christus, de Messias, zihnne? 30 Ze lehpe de
sjtad oeht en góhngen noa hèùm hèèhr.

31 Óngertùsje dróhnge de liërlinge biej hèùm aahn en
zagte: Rabbi, êt! 32 Mê hèèh zag tèèngen huhnne: Ich hùb sjpîes te èèhte,
diejt giëhr neet kènt. 33 Dróm zagte de liërlinge tèèngen eeh: Zow iëhmes
hèùm èèhten hùbbe brach? 34 Jezus zag tèèngen huhn: Mîen sjpîes is ’t, dat
ich de wihl doën van dem, dèè mich gesjik hèèt en ’t wehrk van hèùm
aahfmaahk. 35 Zègk diëhr neeht: Nog vèèr moanjd en da kuhmp den oogs? Zeet,
ich zègk uch: Sjloat uër ohgen op en zeet wiej de vehljer al wit
zihnt vuër den oogs. 36 De zichter krig ziene loën en verzahmelt vruchte,
diej ’t iëwig lèèhve gèèhve, doamit de ziëer en de zichter zich sahme vruie.
37 Want wat dit betruf is ’t gezègkde woar: Den ehne ziët en den ahngere
miët. 38 Ich hùb uch drop oehtgesjik óm dat te oogste, woët giëhr uch neet
meug vuër hùb gemak. Ahngeren
hùbbe zich meug gemak, en giëhr hùb de vruchte van huhn wehrk geoogs.

39 En oet diej sjtad woaren ter vèùl van de
Samaritane in hèùm goa gleuhve wèèges ’t woëhrd van de vrow, diej es tûeg
verkloard haw: Hèè hèèt mich ahl gezag, wat ich gedoahn hùb. 40 Wiej doew de
Samaritane noa hèùm hèèhr kehme, vroohgte ze hèùm biehj huhn te bliehve. En
hèè bleef doa twië daag. 41 En vèùl miëh góhngen ter gleuhven op zieh
woëhrd. 42 En tèèngen de vrow zagte ze: Ver gleuhve neet mië op uëhr zègkes,
want viëhr zellef hùbben hèùm gehuërd, en ver wehte, dat dit wehrkelik den
Hehlahnjd van de welt is.

. (Mattèjjus
05,01-12) Terug naar
boven

05 01 [Wiej Jezus
de] massa’s zoog, góng hèè de behrg op en wiej hèè woar goa zitte, keme zien
liërlinge noa hèùm hèèhr. 02 Hèè èùhpende de moehnjd en óngerrichden huhn
mit te zègke:

03 Ziëlig
diej ehrm zi va geehs,

want van diej is ‘t kuëhninkriehk van den hiëhmel.

04 Ziëlig diej leehd hùbbe,

want diej zulle getruës wèèhre.

05 Ziëlig de zachmuiige,

want diej zullen de welt
ehrve.

06 Ziëlig diej hóhnger en doëhsj hùbbe noa de
gerichtigheehd,

want doavan zulle ze volop kriehge.

07 Ziëlig diej mitliehjen hùbbe,

want diej zulle mitliehjen óngervèhnge.

08 Ziëlig de zuehvere van hart,

want diej zulle God ziëhn.

09 Ziëlig diej vrèj sjtichte,

want diej zulle kèhnjer Goads geneump wèèhre.

10 Ziëlig diej vervolg wèèhren óm de gerichtigheehd,

want van diej is ‘t kuëhninkriehk van den hiëhmel.

11 Ziëlig zeet ger, went ze uch oehtsjehjje en uch
vervohlge en alderlèj geloahge sjlechs uëver uch vertèllen óm mich.

12 Zeet bliej en vroë, want uege loën zal hoëg zihn in
den hiëhmel: Want zoë hùbbe ze de profiëte vuëhr uch vervolg.

(Mattèjjus 06,25-34) 
Terug naar boven

25 [Jezus zag tèènge de luej:] Mak uch neet bezùrg
uëver wat ger zult èèhten en wat ger zult drèhnken óm i lèèhve te bliehve,
en oohch neet uëver wat vuër klèhjjer ger uch óm ‘t liehf zult doëhn. Is ‘t
lèèhve neet miëh es ‘t èèhte en ‘t liehf neet miëh es de klèjjaasj? 26 Kik
ens noa de vuëhgel in de lóch: Diej zië neet en mië neeht, en vahre neet ihn
noa den sjuëhre, en toch giëf uër Vahder in den hiëhmel ze te èèhte. Zeet
giëhr neet miëh wèèhrd wiej diej? 27 En wèè van uch kènt mit zien
bezùrgdheehd ziene lèèhvestiehd mit één èl verlenge? 28 En wat mak ger uch
toch bezùrg óm klèjjaasj? Liërt van de liëhlieje i gevehljd, wiej diej
wasse. Diej wèhrke neet en sjpènne neeht. 29 Toch zègk ich uch: Sahlomon in
al zien prach woar neet gekleid wiej één van diej. 30 Es God toch zoë ‘t
kroehd kleit, dat huej i gevehljd sjteeht en mùhrgen in de bakoahve wurt
gesjmiëhte, wiej vèùl te miëh dahn uch, kleengeleuvige! 31 Zègk dus neet
bezùrg: Wat zuhl ver èèhte? Wat zuhl ver drèhnke? Wat zuhl ver ós aahdoëh?
32 Want op dat allenej zihnt de ahnger vohker oeht. Uër Vahder in den
hiëhmel wit waahl, dat giër dat allenej nuëdig hùb. 33 Mê zeukt iësj ‘t
riehk Goads en zien gerichtigheehd; da zal uch dat allenej nog der biehj
gedoah wèèhre. 34 Makt uch dus neet bezùrg óm mùhrge, want mùhrgen hèèt zien
ehge zùrg. Jiëhderen daahg hèèt genóg aa zien ehge probleme.
.
(Mattèjjus 07,01-05) 
Terug naar boven

07 01 Oëhrdeehlt
neeht, doamit ger neet geoëhrdeehld zult wèèhre. 02 Want mit ‘t oëhrdeehl,
woët giëhr mit oëhrdeelt, zult giëhr geoëhrdeehld wèèhre. En mit de moat,
woët giëhr mit mèèht, zult giëhr gemèèhte wèèhre. 03 En wat kikste noa de
sjplihnter in ‘t oog van die browwer, mê zus neet de bahlk in dien ehgen
oog? 04 Of wiej kènste tèènge die browwer zègke: Loat mich de sjplihnter oet
dien oog hoahle, en kiehk: Doa zit ene bahlk in ‘t oog van dichzellef. 05
Hiepekriet, hoal iësj de bahlk oet dien ehgen oog, en da kènse kloar genóg
ziëhn óm de sjplihnter oet ‘t oog van die browwer te hoahle.
. (Mattèjjus 07,24-29)
Terug naar boven

24 Jiëhdereehn, dèè noa dees wuërd va mich loehstert
en der hèèr hahnjelt, dem kènt me doaróm vergeliehke mit de versjtenjige
mahn, dèè zien hoehs boewden op een rots. 25 En de rèèhnge vool en bèèhke
kehme en de wèhdj bloos en dat sjloog tèènge dat hoehs aah, mê ‘t veel neet
ihnne, want ‘t sjting mit de fundèèring op de rots. 26 En jiëhdereehn, dèè
dees wuërd va mich huërt en neet der hèèr hahnjelt, dem kènt me vergeliehke
mit den dómme mahn, dèè zien hoehs boewden op de zahnjd. 27 En de rèèhnge
veel en bèèhke kehme en de wèhnjd blees en dat buëhkde tèènge dat hoehs aahn
en ‘t vool ihnne en de ravaasj doavahn woar groët.

28 En wiej Jezus een ènj haw gemak aan diej
aahsjproak, woar ‘t zoëh, dat de massa luej deep getróffe woar doër ‘t
óhngerrich vahn hèùm, 29 want hèè óngerrichden huhn es iëmes, dèè gezag hèèt
en neet wiej de sjrifgeliërde van huhnne.
.
(Mahrkus 04,01-09) 
Terug naar boven

04 01 En wèèr
begós hèè óhngerrich te gèèhve biej de zië. En een hiël groëte massa luej
verzahmelde zich óm hèùm hèèhr, zoëdat hèè ee sjiëhp opging en zich doa op
góng zètten op de zië, en de gahnse massa sjting langs de zië op de gróhnjd.
02 En hèè liërden hun vèùl i parahbele en hèè zag hun in zien óhngerrich: 03
Loehstert en zeet: Ene ziëer góng oeht óm te zië. 04 En biej ‘t zië
gebuëhrden het, dat eeh gedeelte op de wèèhg vool en de vuëhgel kehmen en
ohten dat op. 05 Een ahngert veel op de sjteen, woë het neet vèùl drek haw,
en drek keem het op, doërdat ‘t gehnen depen gróhnjd haw. 06 En wiej de zón
opkeem, versjnihrkden het en doërdat ’t geen wórtelen haw, verdorden het. 07
Wèèr een ahnger gedeelte vool tùsje de dèùhre en de dèùhre kehmen op en
versjtikden het en het geef geen vruchte. 08 En een ahnger gedeelte veel op
de gowwe gróhnjd, keem op en wees oeht en geef vruchte, en ’t brach deels
dartigvoohd op, deels sestigvoohd, en deels hóhnderdvoohd. 09 En hèè zag:
Wèè oëren hèèt óm te loehstere, dat dèè loehstert.
. (Mahrkus 06,14-29)
Terug naar boven

14 Oohch kuëning Hiëroëdes hoëhrt van hèùm, want
ziene naam woar bekènd woëhre en ze zagte: Joëhannes den Deuhper is van de
doë opgesjtahnge en doaróm wèhrke diej wóhnjerkrachten ihn hèùm. 15 Ahngere
zagte: ’t Is Elias, en wèèr ahngere zagte: Ene profiët, wiej ehne van de
profiëte. 16 Wiej Hiëroëdes dat gehoëhrd haw, zag hèèh: Dèè wat ich de kop
hùb loaten aahfhowwe, Joëhannes, dèè is opgesjtahnge.

17 Want hèèh, Hiëroëdes, haw ter drop oehtgesjik óm
Joëhannes op te pakken en haw hèùm in de gevahngenis vasgebóhnje vawèège
Hiëroëdia, de vrow va zie broar Philippus, ómdat hèè zich hèùr getrowd haw.
18 Want Joëhannes haw tèèngen Hiëroëdes gezag: Giër moog de vrow van uër
browwer neet hùbbe. 19 Dus woar Hiëroëdia giftig op hèùm en wol hèùm doëd
mahke, mê dat kós ze neeht, 20 want Hiëroëdes haw óntzag vuër Joëhannes,
ómdat hèè wos, dat dat ene richvèèrdige en hèhlge mahn woar en hèè
besjermpden hèùm. En went hèè noa hèùm geloehsterd haw, wos hèè zich gehne
road miëh, en toch loehsterde hèè gèèr noa hèùm. 21 Mê ee good gelèèhg keem
vuër hèùr op den daahg, dat Hiëroëdes op ziene verjoardaahg enen
dinee hólj vuër zien topfunksjenahrisse, de lèèhgertop en de notahbele va
Galilèjja. 22 Want wiej de dochter van diej Hiëroëdia noa bènne woar kóhmmen
en dahnsde, geveel diej Hiëroëdes en diej wat biehj hèùm zohten te èèhte.
Doew zag de kuëhning tèèngen ’t mèèdje: Vroag mich mer watste wihls, en ich
zal ’t dich gèèhve. 23 En hèè zjwoëhr hèùr mit vèùl noadrùk: Watste mich
ooch vriëgs, ich zal ’t dich gèèhve, zellefs de hèllef va mie kuëhninkriehk.
24 Doew góng ze weg en zag tèèngen hèùr moëhder: Wat zahl ich mich vroage?
En diej zag: De kop va Joëhannes den Deuhper. 25 En drek sjpowde ze zich noa
de kuëhning en zag wat ze zich wuhnsjde: Ich wihl, dat ger mich noehw drek
gef, op een sjoëhtel, de kop va Joëhannes den Deuhper. 26 Doew woëhrt de
kuëhning deep bedreuf, mê vawèège den eehd ehn vawèège diejgenige diej mit
aahzohte, wol hèè ‘t hèùr neet wehgere. 27 En drek sjikde de kuëhning ene
soldoat van de wach eweg mit de opdrach de kop va Joëhannes te hoahle. En
dèè góng eweg en sjloog hèùm de kop aahf in de gevahngenis, 28 en brach
ziene kop op een sjoëhtel en geef diej aan ’t mèèdje en ’t mèèdje geef ze
aan hèùr moëhder.
29 Wiej zien liërlinge dat gehoëhrd hahwwe, kehme ze zie liehk eweg hoahle
en lagten ’t in ee graahf.
.
(Mahrkus 06,34-44) 
Terug naar boven

34 [Wiej Jezus] van ’t sjiëhp aahfgóng, zoog hèè een
groëte massa luej en hèè kreeg kómpassiej mit huhn, ómdat ze wiej sjèùp oane
sjiëper woahre, en hèè begós hun vèùl zahkes te óngerrichte. 35 En wiej ’t
al laaht woar woëhre, keme zien liërlinge biehj hèùm en zagte: Dit is een
verloate plek en ’t is al laaht. 36 Sjikt hun eweg, dat ze noa de hèùf en de
dùhrper in den ómtrek góhnt en zich get te èèhte gehjje. 37 Mê Jezus zag
huhn i zien ahnjtwoëhrd: Gef giëhr hun te èèhte. Doew zagte ze tèèngen hèùm:
Zuhl ver da vuër twië hóhnderd denahriej
broëd goa gehjjen en hun te èèhte gèèhve? 38 En hèèh zag tèèngen huhn:
Wiejvèùl broër hùb der? Goat ens kiehke. En wiej ze dat te wehte woare
kóhmme, zagte ze: Viehf, en twië vùsje. 39 En doew zag hèè tèèngen huhn, dat
ze zich allenej trobsgewîes in ’t greun graahs moze goa zètte. 40 En ze
góhnge zich zètten in trobbe van hóhnderd en trobbe va fiehftig. 41 En wiej
hèè de vîef broër en de twië vùsje genóhmmen haw, kiëhk hèè ómhoëg noa den
hiëhmel, zèèhngende en brook de broër en geef ze aa zien liërlinge óm ze de
luej vuëhr te zètte, en oohch de twië vùsje verdeelden hèè ónger allenej. 42
En allenej ohte ze en krehge genóg, 43 en ze rapde de oahrte biejeehn:
Twellef mahnjele vohlle, oohch wat uëhver woar van de vùsje. 44 Vîef
doehzend mahn woahren ‘t, diej van de broër geèèhten hahwwe.
. (Mattèjjus 16,24-27)
Terug naar boven

24 [Jezus zag] tèènge zien liërlinge: Es iëmes miene
vohlgeling wilt zihnne, da mót hèè zichzellef ewegsiehfere en zie kruts
oppakke en mich vohlge. 25 Want wèè zie lèèhve wilt redde, dèè zal ‘t
verleze, mê wèè zie lèèhve zal verleze vawèège mich, dèè zal ‘t vèhnge. 26
Want wat zahl ‘t de miensj notse, es hèè de gahnse welt wint, mê dat mót
betahle mit zie lèèhve? Of wat zahl de miensj gèèhven óm te toehsje tèènge
zie lèèhve?
.
(Mattèjjus 18,21-35) 
Terug naar boven

21 [Piëtrus zag tèèngen Jezus]: Hiër, es mie browwer
dèkker get verkiërds tèènge mich deeht, wiej dèk zahl ich hèùm da vergèèhve?
Bis ziëhve moahl? 22 Jezus zag tèèngen hèùm: Ich zègk dich: Neet bis ziëhve
moahl, mê bis siëhvetig moal ziëhve moahl.

23 Doaróm vilt ‘t kuëhninkriehk van den hiëhmel te
vergeliehke mit ene mahn, dèè kuëhning woar, en dèè aahfrèèhkening wol
hahwte mit zien knechs. 24 En wiej hèè mit de aahfrèèhkening woar begós,
woëhrt ehne biehj hèùm brach, dèè hèùm tiëndoehzend goohdsjtùkker sjùljig
woar. 25 Mê ómdat dèè niks haw vuër te betahle, zag den hiër, dat hèè
verkoch moos wèèhre mit de vrow en de kèhnjer en mit ahl wat hen haw en dat
trukbetaahld moos wèèhre. 26 Doew leet de knech zich op de knèjje vallen en
vuëruëhver geboahge zag hèè tèèngen hèùm: Hùb gedùhljd mit mich, en ich zal
uch ahl trukgèèhve. 27 En vohl mitliehje leet den hiër van dèè knech hèùm
goahn en de sjoohd sjólj hèè hèùm kwieht.

28 Me wiej dèè knech noa boehte woar gegahnge, tróf
hèè ehne va zien collega’s aahn, dèè hèùm hóhnderd denahriej
sjùljig woar. Hèè pakde dem vas, kniëhp hèùm de kèèl toew en zag: Gèèf op,
watste mich nog sjùljig bès. 29 Doew leet ziene kollega zich op de knèjje
vallen en dèj een beroop op hèùm, zègkend: Hùb gedùhljd mit mich en ich zal
‘t dich trukgèèhve. 30 Mê dat wol dèè neeht, en góng eweg en leet hèùm in de
gevahngenis wehrpe, bis hèè zien sjoohd truk zow gèèhve.

31 Wiej noew zien ahnger collega’s zohge, wat
gebuëhrd woar, dèj hun dat ehrg vèùl leehd en góhnge ze hunnen hiër ahl
vertèlle, wat gebuëhrd woar. 32 Doew reep zienen hiër hèùm biehj zich en zag
tèèngen hèùm: Knech, óhnnùtterd, diej gahnse sjoohd hùb ich dich kwieht
gesjóhje, ómdatste mich doa óm gebèèd hawts. 33 Hejts doehw dan oohch gee
mitliehje mótten hùbbe mit diene kollega, jus wiej ich mit dich mitliehjen
hùb gad? 34 En koad liëhverde zienen hiër hèùm uëhver aan de
gevahngenisbewahkisj, bis hèè de gahnse sjoohd trukgegèèhve zow hùbbe. 35
Zoëh zal oohch mienen hiëhmelse Vahder mit uch doëhn, es neet ehlkeeh van
uch zie browwer van harte vergiëf.

. (Luekas
10,25-37) Terug naar
boven

25 Doa sjtóng ene wètgeliërden op, dèè [Jezus] op de
proof wol sjtèlle mit te zègke: Meehster, doër wat te doëh zal ich ’t iëwig
lèèhven ehrve? 26 En hèèh zag tèèngen dem: In de wèt, wat sjteeht doa
gesjriëhve? Wiej lèès ger doah? 27 En dèè zag i zien ahnjtwoëhrd: Giër zult
van den Hiër uëre God hahwte mit gahns uër hart, mit gahns uër ziël en mit
gahns uër krach en mit gahns uër versjtahnjd en van uëren èèvenoaste wiej
van uch zellef. 28 En Jezus zag tèèngen hèùm: Giër hùb richtig
geahnjtwoëhrd: Doët dat en ger zult lèèhve.

29 Mê ómdat hèè zien vroag wol richvèèrdige,
zag hèè tèènge Jezus: En wèè is mienen èèvenoaste? 30 Jezus neem diej vroag
op en zag: Doa góng ens ene miensj va Jeruezalem noa Jiërichoë en dèè veel
in de henj va bandiete, diej hèùm neet alleen aahfsjtreuhpde, mê hèùm ohnnog
zoë hehl sjlohge, dat ze hèùm hahwf doëd achter lehte, wiej ze weg góhnge.
31 En toevallig keem ene preester langs uëver dèè wèèhg en wiej dèè hèùm
zoog, leep hèè in ene boag óm hèùm biehje. 32 En zoë keem oohch ene Leviët
op diej plaatsj en wiej dèè hèùm zoog, leep dèè oohch in ene boag óm hèùm
biehje. 33 En doew keen ene Samaritaan, dèè op rees woar, biehj hèùm, en
wiej dèè hèùm zoog, kreeg dèè mitliehje. 34 Hèè góng noa hèùm hèèhr, sjot
hùm zawfoahlig en wiehn op de wunj, verbónj hùm diej, lag hùm op zien ehge
lasdèèr, brach hùm noa enen hehrbehrg en zùrgde vuër hèùm. 35 En ‘t sahnger
daags hohlde hèè twië denahriej oeht, geef diej aan den herbergèèr en zag:
Zùrg vuër hèùm, en wat ger doa nog boavenop sjpendèèrt, zal ich uch
trukgèèhve, went ich trukkóm. 36 Wèè van diej driehj, duhnk uch, is den
èèvenoaste van dèègenige, dèè in de henj van de bandieten is gevalle? 37 En
hèè zag: Dèè wat mitliehje mit hèùm hèèt gad. En Jezus zag tèèngen hèùm:
Goat en doët giër oohch zoëh.
.
(Mattèjjus 06,09-13) 
Terug naar boven

09 [Lukas 11, 01-02: Wiej Jezus zich ens op een plaatsj
ent bèè woar, gebuëhrden ‘t, wiej hèè doamit kloar woar, dat ehne van de
liërlingen tèèngen hèùm zag: Hiër, liërt ós bèè, wiej oohch Joëhannes dat
zîen liërlingen hèèt geliërd. 02 En hèè zag huhn: Es ger uch bèèt, zègk
dahn:]

09 Vahder van ós in den hiëhmel,
loat uëre naam gehèhllig wèère,

10 loat uër riehk kóhmme,

loat uëhre wihl gebuëhren

op de èèrd wiej in den hiëhmel.

11 Geft ós huej oes broëd

dat ver nuëdig hùbbe,

12 en vergeft ós oes zunj,

wiej ooch viëhr diejgenige vergèèhve,

diej tèèngen ós fooht zi gewèès

13 en sjtèlt ós neet op de proof,
mê verlost ós van ‘t koad.
. (Luekas 11,05-13)
Terug naar boven

05 [Jezus zag tèènge zien
liërlinge:] Sjtèlt, dat iëhmes van uch ene vruhnjd hèèt en midden in de nach noa
dem hèèhr geeht en tèèngen hèùm zèèt: Vruhnjd, liën mich driehj broër, 06 want
ene vruhnjd va mich is op zien rees biej mich aahkóhmme en ich hùb niks óm hèùm
vuëhr te zètte. 07 Zal dèè wat bènnen is, dan i zien ahnjtwoëhrd zègke: Val mich
neet lestig. De duëhr is al gesjloahte en de kèhnjer en ich ligken al i gebèd.
Ich kèn neet opsjtoahn óm dich get te gèèhve? 08 Ich zègk uch: Es hèè al neet
zal opsjtoahn en hèùm get zal gèèhve, ómdat ’t ziene vruhnjd is, da zal hèè toch
oet gebèd kóhmme wèèges dem zien óhnbesjèèmp aahnhahwte en hèùm ahl gèèhve, wat
hèè nuëdig hèèt. 09 En ich zègk uch oohch: Vroagt en uch zal gegèèhve wèèhre,
zeukt en ger zult vèhnge, klopt en uch zal oahpe gemak wèèhre. 10 Want
jiëhdereehn, dèè vriëg, krig en wèè zeuk, vink en wèè klop, dem zal oahpe gemak
wèèhre. 11 En wèè van uch is zónne vahder, dat, es de zoëhn ene vùsj vriëg, hèè
hèùm i plaatsj van ene vùsj een sjlang giëf? 12 Of went hèè een eih vriëg, dat
hèè hèùm dahn een sjorpioën giëf? 13 Es giëhr dus, diej sjlech zeet, gow gaves
wit te gèèhven aan uër kèhnjer, wiej vèùl te miëh zal dan uër Vahder in den
hiëhmel den Hèhlge Geehs gèèhven aan diej wat hèùm doa óm vroage.
. (Luekas 14, 16-24)
Terug naar boven

16 Ene mahn hólj ene groëten
dinee en hèè nuëde ter vèùl oeht, 17 en wiej ’t tiehd woar vuër den dinee,
sjikden hèè ziene knech drop oeht óm tèènge de genuëde te zègke: Kómp, want
alles sjteet kloar. 18 En doew begóste ze zich allenej sjtùk vuër sjtùk te
veróntsjùljige: Den iësjte zag tèèngen hèùm: Ich hùb mich ee sjtùk lahnjd
gegóhje en doa mót ich pervoahsj hèèr goa kiehke. Ich vroag uch: Nump mich neet
koalik. 19 En enen ahngere zag: Ich hùb mich vîef sjpahn ùs
gegóhje en diej goan ich oehtprobèère. Ich vroag uch: Nump mich neet koalik. 20
En wèèr enen ahngere zag: Ich hùb een vrow getrowd en doaróm kèn ich neet kóhmme.
21 En wiej de knech truk gegahnge woar, vertèlden hèè dat aa zienen hiër. Koad
gewoëhre zag doew den hiër van ‘t hoehs tèènge ziene knech: Gahnk drek noa de
sjtroaten en de sjtege van de sjtad en brèhng de ermen en de gehehndiekepde en
de blènjen en lamen hiehjhèèhr. 22 En de knech zag: Hiër, ’t is gebuëhrd, wat
ger hùb opgedrahge, en nòg is plaatsj. 23 En den hiër zag tèènge de knech: Gahnk
noa de wèèg en de getskes en dwèhng huhn hiehjhèèhr te kóhmme, doamit mien hoehs
vohl wurt. 24 Want ich zègk uch: Niëhmes van diej men, diej genuëd woahre, zal
preuve va mienen dinee.
. (Luekas 15,11-32)
Terug naar boven

11 Doew zag Jezus: Ene
miensj haw twiëh zuëhns. 12 En de jóngste van dehn zag tèènge zie vahder:
Vahder, gef mich ’t deehl van ’t vermeuhge, woë ich rech op hùb. En de vahder
verdeelde ónger huhn ahl wat ze hahwwe. 13 En ee paahr daag doanoa verkoch de
jóngste zoëhn ahl wat hen haw kriëhge en troch van biej hèùm heehm noa ee lahnjd
wiehd eweg en doa lèèfden hèèh in zahws en brahws en joog zoëh zie vermeuhge der
doëhr. 14 Wiej hen ahl vertèèhrd haw, keem enen ergen hóhngisjnoëd uëver dat
lahnjd, en hèè begós ehrmood te liehje. 15 En hèè góng in deens biej ehne van de
igezèèhtene van dat lahnjd en dèè sjikden hèùm noa de vehljer vahn zich óm de
vehrkes te huie. 16 En hèè hej zich gèèr de maag gevùld mit de sjèlle, diej de
vehrkes vrohte, mê niëhmes geef hèùm get der vahnne. 17 Doew góng hèè noadèhnken
en zag: Wiejvèùl daahgluëndisj va mie vahder hùbbe neet broëd zat, en ich
vergoan hiehj van den hóhnger. 18 Ich sjtoan op en goan noa mie vahder en da
zahl ich tèèngen hèùm zègke: Vahder, ich hùb gezunjig tèènge den hiëhmel en
jèèges uch. 19 Ich bèn ’t neet mië wèèhrd ene zoëhn van uch geneump te wèèhre:
Sjtèlt mich aahn es ehne van uër daahgluëndisj. 20 En hèè sjtóng op en góng noa
zie vahder. En wiej hèè nog wiehd eweg woar, zoog zie vahder hèùm en dèè kreeg
deep mitliehje mit hèùm. Hèè rende noa hèùm hèèhr en vool hèùm óm den hahws en
bleef hèùm mer puëne. 21 En de zoëhn zag tèèngen hèùm: Vahder, ich hùb gezunjig
tèènge den hiëhmel en jèèges uch. Ich bèn ’t neet mië wèèhrd ene zoëhn van uch
geneump te wèèhre. 22 Doew zag de vahder tèènge zien knechs: Goat gaw ’t bèste
kleehd hoahle en doët hèùm dat aah. En gef ene rihnk vuër aan zien hahnjd en
sandale vuër aan de veut, 23 en hohlt ’t vètgemas kahwf, sjlacht ’t en loat ós
èèhten en fiës viëhre, 24 want dizze zoëhn va mich woar doëd en is wèèr lèèhvend
woëhre, hèè woar verloahren en is gevóhnge. En ze begóste fiës te viëhre.

25 Mê zienen awdste zoëhn
woar i gevehljd. En wiej dèè kort biej genhoehs keem, hoëhrt hèè mueziehk en
gedahns. 26 En wiej hèè ehne van de bedeendes biehj zich haw gerope, vroog hèè,
wat doa goande woar. 27 En dèè zag hèùm: Uër browwer is kóhmme, en uër vahder
hèèt ’t vètgemas kahwf gesjlach, ómdat hèè hèùm gezóhnjd hèèt truk kriëhge. 28
En dèè woërt koad en wol neet noa bènne goah. Doew keem zie vahder noa boehte en
probèèrden hèùm op ‘t gemood te wèhrke. 29 Mê dèè geef zie vahder ahnjtwoëhrd en
zag: Kikt ens, al zoëvèùl joar bèn ich uëre sjlaaf, oane oëts ihn te goahn
tèènge wat giëhr mich opgedrahgen hùb. Mê mich hùb ger nog noëts ens ee bukske
gegèèhven óm mit mîen vrunj fiës te viëhre. 30 Mê noehw, wiej dèè zoëhn van uch
is trukkóhmme, dèè uër vermeuhgen hèèt vertèèhrd mit hoëre, noew hùb ger vuër
dem ’t vètgemas kahwf gesjlach! 31 Mê de vahder zag tèèngen hèùm: Doehw, mie
kèhnjd, bès ummer biehj mich, en al ’t mint is ’t dint. 32 Ver mohze fiës
viëhren en bliej zihnne, want dèè broar van dich woar doëd en is wèèr lèèhvend
woëhre, en hèè woar verloahren en is gevóhnge.
. (Luekas 16,19-31)
Terug naar boven

19 Doa woar ens ene riehke
mahn, en dèè woar ummer gekleid i puhrper en i fiehn liehne en dèè hólj
jiëhderen daahg sjitterend fiës. 20 En enen erme mahn, dèè Lahzarus hoosj, haw
zich biej de poahrt van dem nèèrgelag. Hèè zoot óhnger de zjwèèhre 21 en hèè hej
gèèr zienen hóhnger gesjtild mit wat van den dùsj van de riehke veel. Mê niks
doa vahnne: De huenj kehmen aa zien zjwèèhre lekke. 22 En noew góng ‘t zoëh, dat
den erme mahn sjtórf en dat hèè doër de èhngele woërt eweggedrahge noa de sjoët
van Abraham. En oohch de riehke sjtórf en woërt begrahve. 23 En in de óhngerwelt
sjloog dèè ónger sjrikkelike pîen zien ohgen op en zoog wiehd eweg Abraham mit
Lahzarus op ziene sjoët. 24 Doew begós hèè te ropen en zag: Vader Abraham, hùb
mitliehje mit mich en sjik Lahzarus, dat dèè den top van ziene vihnger in ’t
wahter deuhp en mich de tóng verfrisj, want ich wèèr gekwèèld in diej vlammen
hiehje. 25 Mê Abraham zag: Kèhnjd, vergèèt neet, dats doehw ’t good hùbs gad in
die lèèhve, en Lahzarus zoë sjlech. En noehw wurt hèèh hiehj getruës en liejts
doehw pîen. 26 En dat is nog neet ahlle: Tùsjen ós en uch gaahp ene groëten
aahfgróhnjd, zoëdat diejgenige, diej van hiehj noa uch zowwe wille goahn, dat
neet zowwe kènne en men oohch neet van doa noa ós kènt uëhverkóhmme. 27 Doew zag
hèèh: Da vroag ich uch, vahder, dat ger hèùm noa ’t hoehs va mie vahder sjik, 28
want ich hùb vîef brèùsj; dat hèè hun geet waahrsjueje, doamit oohch ziehj neet
op dees plaatsj terechkóhmme, woë ze gekwèèld zulle wèèhre. 29 En Abraham zag:
Ze hùbbe Moëzes en de profiëte. Doa mótte ze hèèr loehstere. 30 Doew zag hèèh:
Neeh, vader Abraham, mê es iëmes van de doë noa hun hèèhr geeht, da zulle ze
zich bekiëre. 31 Mê Abrahan zag tèèngen hèùm: Es ze noa Moëzes en de profiëte
neet loehstere, da zulle ze zich oohch neet loaten uëvertûege, es iëmes van de
doë opsjteeht.
. (Luekas 09-14)
Terug naar boven

09 En hèè vertèlden oohch
aan diejgenige, diej der van uëvertûeg zihnt, dat ze zellef richvèèrdig zihnt en
diej op de ahngere nèèrkiehke, dizze parahbel: 10 Twië mansluej góhnge noa den
tehmpel óm zich te bèè; den ehne woar ene Farizèjjer en den ahngere enen
tollenèèr. 11 De Farizèjjer sjtóng doah en bèèden i zichzellef zoëh: God, ich
bedahnk uch, dat ich neet bèn wiej de res van de luej – diej pakke zich wat ze
pakke kènne, zihnt óhnrichvèèrdig, echbrèèhkisj – en ooch neet zoë wiej dèèn
tollenèèr doah. 12 Ich vas twië moahl in de wèèhk, en sjtoan eehn tiënde van ahl
mien ikóhmmene aahf.

13 Mê den tollenèèr bleef va
wiejds aahf sjtoahn en wol zellefs zien ohge neet noa den hiëhmel opsjloah, mê
hèè sjloog zich op de brós en zag: God, zeet mich, zunjèèr, genoadig. 14 Ich
zègk uch: Dèè lèste góng wèèr ès ene richvèèrdige op heehm aah, dèèn ahngere
neeht. Want jiëhdereehn, dèè zichzellef hoëg plaatsj, zal liëg geplaatsj wèèhre,
en wèè zichzellef liëg plaatsj, zal hoëg geplaatsj wèèhre.
. (Joëhannes 08,01-11)
Terug naar boven

08 01 Mê Jezus góng noa den Olîefbehrg. 02 En ’t sjmùhrges vreug góng hèè
wèèr noa den tehmpel en alle luej kehme noa hèùm hèèhr. Hèè zat zich en
óngerrichden huhnne. 03 Noew brachte de sjrifgeliërden en de Farizèjjisj een
vrow noa hèùm hèèhr, diej woar getrapèèrd biej uëhversjpiëhl en noadat ze hèùr
in ’t midden hawwe gezat, 04 zagte ze tèèngen hèùm: Meehster, dees vrow is op
hehterdoad getrapèèrd biej uëhversjpiëhl. 05 Noew hèèt Moëzes ós in de wèt
vuëhrgesjriëhve zón vroluej te sjtehnige. Wat zègk giëhr doa noew vahnne? 06 Mê
dat zagte ze óm hèùm op de proof te sjtèlle, doamit ze get hahwwen óm hèùm aahn
te klahge. Mê Jezus bukde zich vuëruëhver en sjriëhf mit ene vihnger op de
gróhnjd. 07 Mê ómdat ze blehve vroage, góng hèè rechop zitten en zag tèèngen
huhnne: Loat dèègenige van uch, dèè oane zunj is, es iësjten ene sjteeh noa hèùr
goezje. 08 En wèèr bukden hèè zich vuëruëhver en sjriëhf op de gróhnjd. 09 Wiej
ziehj dat gehoëhrd hahwwe, góhnge ze noa boehte, eeh vuër eeh, te beginne mit de
awdste, en hèèh woërt alleen achtergeloate mit de vrow diej iësj midde 
tùsjen hun ihn
sjting. 10 Jezus góng noew wèèr rechop zitten en zag tèèngen
hèùr: Vrow, woë zihnt ze? Hèèt niëhmes uch veroëhrdeehld? 11 En ziehj zag:
Niëhmes, hiër. Doew zag Jezus: Ooch ich veroëhrdeel uch neeht. Goat, en doët van
noehw aaf aah geen zunj miëh.
(Joëhannes 09,01-38)
Terug naar boven

09 01 In ‘t vuërbiehjgoah zoog hèè ene mahn, dèè vanaaf zien geboahrte
blèhnjd woar.  02 En zien liërlinge sjtèlden hèùm de vroag: Rabbi, wèè hèèt zunj
gedoahn, hèèzellef of zien ahwisj, dat hèè blèhnjd geboahren is? 03 Jezus
ahnjtwoëhrdde: Noch hèèh hèèt zunj gedoah, noch de ahwisj vahn hùm, mê hèè is
blèhnjd
, doamit de wehrke Goads in hèùm zichbaar wèèhre. 04 Viëhr mótte de
wehrke doëh van dem, dèè mich gesjik hèèt, zoëlang ès ’t daahg is. De nach
kuhmp, dat niëhmes kènt wèhrke. 05 Zoëlang es ich in de welt bèn, bèn ich ’t
leech van de welt. 06 Wiej hèè dat gezag haw, sjpuejden hèè op genèèrd en makde
mit de sjpuej get pratsj en sjmiëhrden hèùm de pratsj wiej zawf op de ohge. 07
En hèè zag tèèngen hèùm: Gahnk dich wesjen in de Silo-am-vîever (Silo-am wurt
vertaald mit “drop oeht gesjikde”). Hèè góng dus eweg en weesj zich en keem
ziënde truk.

08 De noaberte noehw en diej
wat hèùm iëhder geziëhn hahwwen es bèèhdelèèr zeende, zagte: Is dat neet dèè wat
zoot te bèèhdele? 09 Sommige zagte: Dat is hùm, ahngere zagte: Neeh, mê hèè lik
waal op dem. Hèèh zag: Dat bèn ich. 10 Doew zagte ze tèèngen hèùm: Wiej zihnt
dich dahn de ohgen oahpe gemak woëhre? 11 Hèèh ahnjtwoëhrdde: De mahn geneump
Jezus hèèt get pratsj gemak en hèèt mich doa de ohge mit igezawf en doew zag hèè
tèènge mich: Gahnk noa de Silo-am-vîever en wesj dich. Doa bèn ich dus hèèhr
gegahnge en wiej ich mich gewesjen haw, kós ich ziëh. 12 En ze zagte tèèngen
hèùm: Woë is dèè? En hèèh zag: Weeht ich neeht.

Terug naar boven

13 Doew brachten ze dem, dèè
doavuëhr blèhnjd woar, biej de Farizèjjisj. 14 Noew woar ‘t sabbat op den daahg,
dat Jezus de pratsj gemak haw en hèùm de ohgen haw oahpe gemak. 15 Doew
vroohgten hèùm oohch de Farizèjjisj wèèr, wiëj hèè ziënde gewoëhre woar. En hèè
zag tèèngen huhn: Hèè hèèt mich pratsj op de ohge gedoahn en ich hùb mich
gewesjen en ich ziën. 16 Doew zagten ter een paahr van de Farizèjjisj: Dèè mahn
is neet va God, want dèè hiljt zich neet aan de sabbat. Mê ahngere zagte: Wiej
kènt ene zunjige miensj zón tehkene doëh? En doa woar verdeeldheehd tùsjen
huhnne. 17 Doew zagte ze wèèr tèènge de blènje: Wat zèès doehw van dem, noew dèè
dich de ohgen hèèt geèùhpend? En dèè zag: Dat is ene profiët.

18 De Juede noehw gelofde
neet, dat dèè blèhnjd gewèès woar en noehw kós ziëh, bis ze de ahwisj hawwe
gerope van dem, dèè noehw kós ziëh. 19 En ze sjtèlden hun de vroag: Is dit de
zoëhn van uch, woëvant giëhr zègk, dat hèè blèhnjd geboahren is? Wiej kènt hèè
da noehw ziëh? 20 De ahwisj vahn hùm gehven doa op ahnjtwoëhrd en zagte: Viër
wehte, dat dit de zoëhn van ós is en dat hèè blèhnjd geboahren is. 21 Wiej hèè
noehw kènt ziëh, weeht ver neeht, of wèè hèùm de ohgen hèèt oahpegemak, wehte
viëhr neeht. Vroagt ’t hèùmzellef, hèè hèèt de lèèftiehd, hèè zahl vuër
zichzellef kalle. 22 Dat zagte zien ahwisj, ómdat ze bang woahre vuër de Juede.
Want de Jueden hahwwen al besjloahte, dat, es iëmes hèùm zow erkènnen ès de
Christus, de Messias, dat dèè dan oet de sinagoëg verbanne zow wèèhre.
Doaróm zagte zien ahwisj: Hèè hèèt de lèèftiehd, vroagt ’t hèùmzellef.

24 Ze rehpen dus vuër den
twiëde moahl de mahn, dèè blèhnjd gewèès woar en zagten tèèngen hèùm: Gèèf iër
aa God: Viëhr wehte,
dat dèè mahn ene zunjèèr is. 25 Doew ahnjtwoëhrdde dèè: Of dat ene zunjèèr is,
weeht ich neeht. Eeh dèhnk weeht ich: Dat ich, dèè blèhnjd woar, noehw ziën. 26
Doew zagte ze tèèngen hèùm: Wat hèèt hèè mit dich gedoah? Wiej hèèt hèè dich de
ohgen oahpe gemak? 27 Hèè ahnjtwoëhrdden huhn: Dat hùb ich uch al gezag, mê ger
hùb neet geloehsterd. Woëróm wilt ger ’t nòg ens huëre? Wilt giëhr soms oohch
liërlinge van hèùm wèèhre? 28 En ze sjóhljen hùm oeht en zagte: Doehw bès ene
liërling van hèùm, mê viëhr zint liërlinge van Moëzes. 29 Viëhr wehte, dat God
mit Moëzes gekald hèèt, mê van dem wehte ver neeht, woë hèè vandaan is. 30 De
mahn geef ahnjtwoëhrd en zag tèèngen huhn: Hiej zit toch waal get verwóhnjerliks
ihn, dat giëhr neet wit, woë hèè vandaan is, en hèè hèèt mich nog waal de ohge
geèùhpend. 31 Viër wehte, dat God geen zunjèèsj verhuërt, mê es iëmes
Godveriërder is en ziene wihl deeht, da verhuërt hèèh dem. 32 I geen iëwigheehd
is ’t gehoëhrd, dat iëmes de ohgen hèèt geèùhpend van ene blèhnjdgeboahrene.
33 Es dèè neet va God keem, da kós hèè niks doëh. 34 Ze gehven hèùm ahnjtwoëhrd
en zagte: Doehw bès gahns i zunj geboahren en doehw liës ós de lès? En ze
sjmiëhten hèùm noa boehte.

Terug naar boven

35 Jezus hoëhrt, dat ze hèùm
noa boehte gesjmiëten hahwwe en wiej hèè hèùm tèèhnge keem, zag hèèh: Gelùfs
doehw in de Miensjezoëhn? 36 Dèè ahnjtwoëhrdden en zag: En wèè is dat, Hiër, dat
ich in hèùm zow gleuhve? 37 Jezus zag tèèngen hèùm: Doew hùbs hèùm al ens
geziëhn; dèè wat mit dich ent kallen is, dèè is ‘t. 38 En hèèh zag: Ich geleuf,
Hiër, en hèè kneide vuër hèùm nèèr.
. (Joëhannes 10,07-21)
Terug naar boven

07 Jezus zag doew nòg ens
tèèngen huhnne: Woarlik, woarlik, ich zègk uch: Ich bèn de duëhr vuër de sjèùp.
08 Al diejgenige diej vuëhr mich zi kóhmme, dat zin deven en bandiete,
mê de sjèùp hùbbe neet noa dehn geloehsterd. 09 Ich bèn de duëhr: Es iëmes doër
mich noa bènne kuhmp, zal hèè gered wèèhre, en hèè zal ihn- en oehtlohpe, en de
wèj vèhnge. 10 Den deef geet alleen mer noa bènne óm te sjtèèhlen en te
sjlachten en te verrannewèère. Ich bèn kóhmme, doamit ze ‘t lèèhven hùbben en ‘t
in uëhvervlood hùbbe.

11 Ich bèn de gowwe sjiëper.
De gowwe sjiëper zèt zie lèèhven ihn vuër de sjèùp. 12 De loënknech, dèè dan
ooch gehne sjiëper is en neet den ehgenèèr is van de sjèùp, zut de woohf kóhmme,
liët de sjèùp in de sjtiëhk en vluch – en de woohf sjnap ze zich en jiëg ze
oetereeh – 13 want hèè is loënknech en de sjèùp góhnt hèùm neet aan ‘t hart.

14 Ich bèn de gowwe sjiëper
en ich kèn de mîen en de mîen kènne mich; 15 jus wiej de Vahder mich kènt, zoë
kèn ooch ich de Vahder en ich gèèf mie lèèhven vuër de sjèùp. 16 Ich hùb oohch
nog ahnger sjèùp, diej neet van dizze sjoapssjtahl zihnne. Oohch diej mót ich
huie en ze zulle loehstere noa mien sjtùm en da zal der zihn: ehnen trob, ehne
sjiëper.

17 Doaróm hiljt de Vahder va
mich, ómdat ich mie lèèhve gèèf óm ’t wèèr truk te nuhmme.

18 Niëhmes nump ’t mich aahf,
mê ich gèèf ’t oet michzellef. Ich hùb de mach óm ’t te gèèhve, ehn ich hùb de
mach óm ’t wèèr truk te nuhmme.
Diej opdrach hùb ich van mie Vahder kriëhge.

19 Al wèèr keem
verdeeldheehd ónger de Juede doër diej wuërd. 20 Van den ehne kahnjt zagten ter
vèùl van huhn: Hèè is van den duehvel bezèèhte en raaskalt. Wat loehstert ger
noa dem? 21 Ahngere zagte: Dat zihnt geen wuërd van iëmes dèè van den duehvel is
bezèèhte: Kènt den duehvel soms de ohge van blènjen èùhpene?
noalj te goahn

ès vuër ene
riehken ’t kuëhninkriehk goads bènne te kóhmme. (Luekas 18,18-30)
Terug naar boven

18 Ene vuërname mahn
sjtèlden hèùm een vroag en zag: Gowwe Meehster, doër wat te doëh zahl ich ’t
iëwig lèèhven ehrve? 19 En Jezus zag tèèngen hèùm: Woëróm zègk ger, dat ich good
bèn? Niëhmes is good, behahwve God. 20 De geboa kènt ger: Ger zult geen
uëhversjpiëhl begoah, ger zult niëhmes ómbrèhnge, ger zult neet sjtèèhle, ger
zult neet vahlsj tûege, iërt uër vahder en uër moëhder. 21 En hèèh zag: Meehster,
doa hùb ich mich allenej aa gehahwte van jóngs aaf aah. 22 Wiej Jezus dit hoëhrt,
zag hèè tèèhngen hùm: Da fèèhlt uch nog eeh dèhnk: Verkop ahl wat ger hùb en
deelt oeht aan de erm luej en ger zult een sjat in den hiëhmel hùbbe. Kómp da
truk en volg mich. 23 Mê wiej dèè dat hoëhrt, woëhrt hen ehrg bedreuf, want hèè
woar sjatriehk.

24 En wiej Jezus zoog, dat
hen ehrg bedreuf woëhrt, zag hèèh: Wat is ’t lestig vuër luej diej riehkdómmen
hùbbe óm ’t kuëhninkriehk Goads bènne te kóhmme. 25 Want ’t is gemèèhkeliker
vuër ene kamiël doër ’t oog van een noalj te goahn ès vuër ene riehken ’t
kuëhninkriehk Goads bènne te kóhmme. 26 Doew zagte de luej, diej dat hoëhrte: En
wèè kènt da gered wèèhre? 27 Doa op zag hèèh: Wat óhnmeugelik is vuër de luej,
is meugelik vuër God.

28 Doew zag Piëtrus tèèngen
hèùm: Kik, viëhr hùbben ’t ôes achtergeloate en zihnt mit uch mitgegahnge. 29
Doew zag Jezus tèèngen huhn: Woarlik, ich zègk uch: Doa is niëhmes dèè hoehs of
vrow of brèùsj of ahwisj of kèhnjer vawèègen ’t kuëhninkriehk Goads hèèt
achtergeloate 30 dèè neet ’t vèùlvoohd truk krit in dizzen tiehd en in de
kóhmmende welt ’t iëwig lèèhve.
. (Mattèjjus 20,01-16)
Terug naar boven

20 01 ‘t Kuëhninkriehk van den hiëhmel vilt te vergeliehke mit den hiër
van enen hoahf, dèè ‘t sjmùhrges vreug drop oeht góng óm daahgluëndisj aahn te
nuhmme vuër ziene wiehngaard. 02 En wiej hèè mit de wèhrkluej tot
uëvereehsjtùmming woar kóhmmen uëver ehnen denahriej
per daahg, sjikden hèè hun noa ziene wiehngaard. 03 En wiej hèè óm een oër of
nuëhge drop oeht góng, zoog hèè ahngeren op de mehrt sjtoan niks te doëh. 04 En
hèè zag: Goat ooch giëhr noa de wiehngaard, en ich zal uch gèèhve, wat
richvèèrdig is. 05 En ziehj góhngen der hèèhr. En rónjd twellef en driehj oër
góng hèè wèèr drop oeht en dèj ‘t zellefde. 06 En wiej hèè rónjd viehf oër drop
oeht góng, tróf hèè wèèr ahngeren aahn, diej doa sjtóhngen en zag tèèngen huhn:
Woëróm sjtoatder hiehj de gahnsen daahg niks te doëh? 07 Ziej zagte tèèngen hèùm:
Ómdat niëhmes ós hèèt igehuëhrd. Hèè zag tèèngen huhn: Goat giëhr oohch noa de
wiehngaard. 08 En wiej ‘t oavend woar woëhre, zag den hiër van de wiehngaard
tèènge zienen opzichter: Roop de wèhrkluej en gèèhf hun de loën, te beginne biej
de lèste bis de iësjte. 09 En diej wat róhnjd vîef oër woare kóhmme, krehgen
ehnen denahriej de mahnne. 10 Noew mèhnden diej wat ‘t iësjte gekóhmme woahre,
dat ze miëh zowwe kriehge. Mê oohch diej kregen ehnen denahriej de mahnne. 11 En
wiej ze dat kreehgte, knoëhterde ze tèènge den hiër van den hoahf 12 en zagte:
Diej lèsten hùbben één oër gewèhrk en giër hùb huhn geliehk gesjtèld mit ós,
diej de las van den daahg en de verbrennende hits hùbbe gedrahge. 13 En hèè geef
ehne van dehn ahnjtwoëhrd en zag: Kammeroat, ich doën dich geehn óhnrech aah.
Bès doew neet mit mich tot uëvereensjtùmming kóhmmen uëver ehnen denahriej? 14
Pak ‘t dint en gahnk eweg. Ich wihl dèè lèsten ‘t zellefde gèèhven ès dich. 15
Dahrf ich neet mit ‘t mint doëh wat ich wihlle?
Of kikste koad, ómdat ich good bèhnne? 16 Zoë zullen de lèste iësjte zihn, en de
iësjte lèste. Want vèùl zihnt ter gerope, wiënig èèhvels oehtverkoahre.
. (Joëhannes 11,17-44)
Terug naar boven

17 Wiej Jezus [i Betahnieje]
woar aahkóhmme, bevóng hèèh, dat Lahzarus al vèèr daag in ’t graahf loog. 18
Noew loog Bethahnieje kort biej Jeruezalem, zoëget driehj killemiëter der van
aahf. 19 En van de Juede woaren ter vèùl noa Martha en Maria kóhmme óm hun te
truëste vawèègen hunne browwer. 20 Wiej Martha noew hoëhrt, dat Jezus op wèèhg
noa huhn hèèhr woar, góng ze hèùm tèèhnge, mê Maria bleef heehm zitte. 21 Doew
zag Martha tèènge Jezus: Hiër, es giëhr hiehj woart gewèès, da zow mie broar
neet gesjtóhrve zihnne. 22 Mê ooch noeh weeht ich, dat God uch ahl, wat giëhr aa
God vroag, gèèhve zahlle. 23 Jezus zag tèèngen hèùr: Die browwer zal verriehze.
24 Martha zag tèèngen hèùm: Ich weeht, dat hèè zal verriehze biej de
verriehsenis op de lèsten daahg. 25 Jezus zag tèèngen hèùr: Ich bèn de
verriehsenis en ’t lèèhve: Wèè gelùf i mich, zal lèèhve, oohch al is hèè
gesjtóhrve. 26 En jiëhdereehn, dèè lèèf en i mich gelùf, zal in iëwigheehd neet
sjtehrve. Gelùfste dit? 27 Ziej zag tèèngen hèùm: Joah, Hiër, ich geleuf, dat
giëhr de Christus, de Messias, zeet, de zoëhn Goads, dèè in de welt is
kóhmme.
Terug
naar boven

28 En wiej ze dat gezag haw,
góng ze weg en reep Maria, hèùr zùster, en zag sjtilkes tèèngen hèùr: De
Meehster is doah en hèè reup dich. 29 En wiej diej dat hoëhrt, sjting ze gaw op
en góng noa hèùm hèèhr. 30 Jezus woar èèvels nog neet i gendùhrp aahkóhmme, en
woar nog op de plaatsj, woë Martha hèùm woar tèèhnge kóhmme. 31 Wiej noew de
Juede, diej i genhoehs biej Maria woahren en hèùr ent truëste woahre, zohge, dat
ze gaw opsjting en noa boehte ging, volgde ze hèùr, ómdat ze mèhnde, dat ze noa
’t graahf góng óm doa te bèùhke.

32 Wiej Maria noew woar
aahkóhmme, woë Jezus woar, en hèùm zoog, leet ze zich vuër zien veut nèèrvalle
en zag tèèngen hèùm: Hiër, es giëhr hiehj woart gewèès, da zow mie browwer neet
gesjtóhrve zihnne. 33 Wiej Jezus hèùr doew zoog bèùhken en oohch de Juede, diej
mit hèùr mitgekómme woahre, zoog bèùhke, woërt hèè deep bewoahge i ziene geehs
en riehjerde van óntrèùring 34 en doew zag hèèh: Woëh hùb ger hèùm nèèrgelag? Ze
zagten hèùm: Hiër, kómp en kik. 35 Jezus begós te bèùhke. 36 Doew zagte de
Juede: Kikt ens, wiej vèùl hèè van hèùm hólj. 37 Mê sommige van huhn zagte: Hej
hèèh, dèè de ohge van de blènjen hèèt geèùhpend, oohch neet der vuër kènne
zùhrge, dat dizze mahn neet sjtórf?
Terug
naar boven

38 Doew góng Jezus, dèè i
zie bènnisjte wèèr deep bewoahge woar, noa ’t graahf. Dat woar een hèùlde en ene
sjteeh loog der vuëhr. 39 Jezus zag: Nump dèè sjteehn eweg. De zùster van den
aahfgesjtóhrvene, Martha, zag tèèngen hèùm: Hiër, hèè ruk al nùt, want ’t is de
vèèrden daahg. 40 Jezus zag tèèngen hèùr: Hùb ich dich neet gezag, datste, este
gelùfs, de hiërlikheehd Goads zuls ziëhn? 41 Doew nehme ze de sjteehn eweg. En
Jezus sjloog de ohgen ómhoëg en zag: Vahder, ich dahnk uch, dat ger mich
verhuërd hùb. 42 Ich wos waahl, dat ger mich ummer verhuërt, mê vawèège de massa
luej, diej óm mich biehj sjteeht, hùb ich gesjproahke, doamit ziej gleuhve, dat
giëhr mich gesjik hùb. 43 En wiej hèè dat gezag haw, reep hèè mit fosje sjtùm:
Lahzarus, kóhm noa boehte. 44 De gesjtóhrvene keem noa boehte mit deuk óm henj
en veut gebóhnje en mit ene zjweehtdook óm zie gezich. Jezus zag tèèngen huhn:
Makt hùm los en loat hùm goah.
(Mattèjjus 21,12-13)
Terug naar boven

12 En Jezus góng den tehmpel
ihn, en sjmiëht alle verkeuhpisj en keuhpisj in den tehmpel droeht, kiepde de
toafelen van de gehljdwisselèèsj óm en de sjteul van de doehve-verkeuhpisj,

13 en hèè zag tèèngen huhn: Doa
sjteeht gesjriëhve:

‘t Hoehs va mich zal
ee bèèhoehs geneump wèèhre,

mê giëhr mak doa ee
sjehlmenhèùhl vahnne.
. (Mattèjjus 22,15-22)
Terug naar boven

15 [De Farizèjjisj
uëverlagte], wiej ze hèùm mit zien ehge wuërd kóste vahnge. 16 En ze sjikde de
liërlinge van huhn sahme mit de Hiëroëdiane
op hèùm aahf en diej zagte: Meehster, viër wehte, dat giër oprech zeet en
woarheehdsgetroew de wèèhg Goads ó ngerwis, en dat giëhr uch van niëhmes get
aahtrèk, want giër kik de luej neet noa de ohge. 17 Zègkt ós dus, wat uch tuhnks:
Moog me volges de wèt Goads aan de kehzer belasting betahle, joah of neeh? 18 Mê
Jezus haw hun vahlsjheehd doëhr en zag: Wat sjtèlt der mich op de proof,
hiepekriete. 19 Loat mich ens de belastingpenning ziëh. Ze hóhljen hèùm enen
denahriej vuëhr. 20 En Jezus zag tèèngen huhn: Va wèèhmen is diej aahfbihljing
en ‘t opsjrif? 21 Ze zagten hèùm: Van de kehzer. Doew zag hèè tèèngen huhn: Gef
da wat van de kehzer is aan de kehzer en wat va God is aa God. 22 En wiej ze dat
hoëhrte, woare ze verwóhnjerd, en ze lehten hèùm mit vrèj en góhngen eweg.
.
(Luekas 20,27-39) Terug
naar boven

27 Doew kehmen ee paahr
Sadduesèjjisj, diej óntkènne, dat ter een verriehsenis is. Ze óngervroagden hèùm
28 mit te zègke: Meehster, Moëzes hèèt ós vuëhrgesjriëhve, dat, es de browwer
van iëhmes een vrow hèèt en hèè sjturf zóhnger kèhnjer, dat dem zie broar dan
diej vrow mót nuhmme en noakóhmmelinge verwèkke vuër zie browwer.
29 Noew woahren ens ziëhve brèùsj en den iësjte neem zich een vrow en sjtórf
zóhnger kèhnjer. 30 En den twiëde neem hèùr 31 en den driejde neem hèùr en zoëh
sjtóhrve ze alle ziëhve oane kèhnjer noa te loate. 32 Op ’t lèste sjtórf oohch
de vrow. 33 Diej vrow noehwe, van wèèhme van diej zal diej biej de verriehsenis
de vrow zihnne? Want alle ziëhven hùbben hèùr es vrow gad. 34 En Jezus zag
tèèngen huhn: De kèhnjer van dees welt trowwen en wèèren oehtgetrowd. 35 Mê diej
’t wèèhrd geach wèèhren ihn diej welt te kóhmmen en te verriehzen oet de doë,
diej trowwe neet en wèèhren neet oehtgetrowd. 36 Want diej kènne neet mië
sjtehrve, want ze zint jus wiej èhngele, en ‘t zint kèhnjer Goads, ómdat ‘t
kèhnjer van de verriehsenis zihnt. 37 Mê dat de doë verriehze, hèèt oohch Moëzes
aahgegèèhven in de passaasj van de broahmelesjtroehk, want doa kalt hèè van den
Hiër es de God van Abraham en de God van Izaahk en de God va Joakob. 38 Neeh,
hèè is gene God van doë, mê va lèèhvende, want vuër hèùm lèèhve ze allenej. 39
En ènnige van de sjrifgeliërde gehven doa ahnjtwoëhrd op en zagte: Meehster, dat
hùb ger good gezag.
? (Mattèjjus 22,34-40)
Terug naar boven

34 Mê wiej de Farizèjjisj
hawwe gehuërd, dat hèè de Sadduesèjjisj haw doë zjwiehge, kehme ziehj noa hèùm
hèèhr, 35 en óm hèùm op de proof te sjtèlle vroog ehne van huhnne, ene
wètgeliërden, hèùm: 36 Meehster, wat is ‘t grótste geboahd in de wèt? 37 En hèè
zag tèèngen dem: Ger zult van den Hiër uëre God hahwte mit gahns uër hart, mit
gahns uër ziël en mit gahns uër versjtahnjd. 38 Dat is het groët en iësjte
geboahd. 39 En ‘t twiëde, doa aah geliehk: Ger zult van uegen èèvenoasten hahwte
wiej van uch zellef. 40 Aan dees twië geboa hange de gahnse wèt en de profiëte.
. (Mattèjjus 25,01-13)
Terug naar boven

25 01 ‘t Kuëhninkriehk van den hiëhmel [zal] vergeliëhke wèèhre mit tiën
mèèdjes, diej hun lahmpe pakde en de broehdegóm tèèhnge góhnge. 02 Noew woaren
ter vîef van huhn dóm en viehf woare versjtenjig. 03 Want de dómme nehme waahl
hun lahmpe mit zich mit, mê gehnen oahlig. 04 Mê de versjtenjige nehme mit hun
lahmpen oahlig mit i kroehke. 05 Wiej de broehdegóm op zich leet wachte, krege
ze allenej sjloap en góhnge ze sjloape. 06 En midden in de nach woërt gerope:
Doa is de broehdegóm, kómp noa boehten en goat hèùm tèèhnge. 07 Doew woërte diej
mèèdjes allenej wakker, sjtóhngen op en makden hun lahmpe kloar. 08 En de dómme
zagten tèènge de versjtenjige: Gef ós get van den oahlig van uch, want de lahmpe
van ós gónt oeht. 09 Mê de versjtenjige zagten in hun ahnjtwoëhrd: Mesjihns is
ter neet genóg vuër ós en vuër uch: Goat liëhver noa de verkeuhpisj en geljt ter
uchzellef. 10 Mê wiej diej eweg woahren óm ter te gehjje, keem de broehdegóm, en
de mèèdjes diej gereehd woahre góhnge mit hèùm mit noa bènne, noa ‘t
broehlefsfiës en de duëhr woërt gesjloahte. 11 En lahter kemen oohch de ahnger
mèèdjes en diej zagte: Hiër, hiër, makt ós oahpe. 12 Mê dèè geef hun es
ahnjtwoëhrd: Woarlik, ich zègk uch: Ich kèn uch neeht.

13 Waahk doaróm, want
ger wit noch den daahg, noch de oër.
. (Mattèjjus 25,14-30)
Terug naar boven

14 ‘t Zal zihn es wiej ene
miensj dèè noa ‘t boehtelahnjd vertroch, zie personiël biehj zich reep en
zoëlang zie vermeuhgen aan huhn uëhverdroog. 15 En aan ehne geef hèè viehf
talehnte, en aan enen twiëh, en aan ehnen eeh talehnt, aa jiëhdereeh volges zien
kapasitehte, en doew góng hèè noa ‘t boehtelahnjd. 16 Dèè wat de viehf talehnten
haw kriëhge, góng drek doamit aan ‘t wehrk en verdeende ter nog vîef der biehje.
17 En zoëh verdeende dèè van de twië talehnte nog twiëh der biehje. 18 Mê dèè
wat eehn haw kriëhge, dèè góng ee loahk in de gróhnjd grahven en versjtook doa
‘t gehljd va zienen hiër ihnne. 19 En ene gahnsen tiehd doanoa keem den hiër van
diej knechs truk en góng mit hun aahfrèèhkene. 20 En dèè wat de viehf talehnten
haw kriëhge, keem noa vuëhren en hohlde nog vîef ahnger talehnten oeht en zag:
Hiër, ger hùb viehf talehnten aa mich uëhvergedrahge. Zeet, ich hùb doa nog vîef
ahnger talehnte biehj verdeend. 21 Zienen hiër zag tèèngen hèùm: Good, gowwen en
truie knech, uëver wiënig bès doew troehw gewèès, uëver vèùl zal ich dich
aahsjtèlle. Kóhm en bès bliej, sahme mit dienen hiër. 22 Doew keem oohch dèè van
de twiëh talehnte en dèè zag: Hiër, twiëh talehnten hùb ger aa mich
uëhvergedrahge; zeet, ich hùb doa twië ahnger talehnte biehj verdeend. 23 Doew
zag zienen hiër tèèngen hèùm: Good, gowwen en truie knech, uëver wiënig bès doew
troehw gewèè, uëver vèùl zal ich dich aahsjtèlle. Kóhm en bès bliej, sahme mit
dienen hiër. 24 Doew keem oohch dèè wat eeh talehnt haw kriëhge en dèè zag: Hiër,
ich weeht van uch, dat giër ene sjtrange miensj zeet, dèè miët, woët giër neet
hùb geziëd, en dèè oogs, woët ger gee zoad hùb oehtgesjtruid. 25 Ómdat ich dus
bang woar, bèn ich uër talehnt goa versjtèèhken i gen èèrd. Zeet, hiej hùb ger
‘t uërt. 26 Mê i zien ahnjtwoëhrd zag zienen hiër tèèngen hèùm: Sjlechten en
vôele knech, doew wos dat ich mië, woë ich neet hùb geziëd, en dat ich oogs, woë
ich gee zoad hùb oehtgesjtruid. 27 Doew hejts dus mie gehljd biej de bankèèsj
mótten oehtzètte, dan hej ich ‘t mint mit rehnten aahf goan hoahle. 28 Nump hèùm
dus dat talehnt aahf en geft ‘t aan dem dèè de tiën talehnten hèèt. 29 Want aa
jiëhdereehn, dèè hèèt, zal gegèèhve wèèhre en hèè zal miëh es genóg hùbbe, mê va
wèè neeht hèèt, van dem zal ohhnog wat hen hèèt, aahfgenóhmme wèèhre. 30 En
sjmit dèè wèèrdeloëze knech noa boehte, den duehster ihnne: Doa zal gebèùhk zihn
en geknasj van de tenj.
. (Mattèjjus31-46)
Terug naar boven

31 Went de Miensjezoëhn
kuhmp i zien hiërlikheehd en al zien èhngele mit hèùm, da zahl hèè zich goa
zètten op den troën va zien hiërlikheehd. 32 En da zullen alle vohker vuëhr hèùm
biejeehbrach wèèhre en da zahl hèè ze vaneeh sjèhjje, jus wiej de sjiëper de
sjèùp sjeit van de gehte, 33 en da zahl hèè de sjèùp rechs va zich plaatsje en
de buk lèhnks. 34 En da zahl de kuëhning tèènge diej wat rechs va zich sjtóhnt
zègke: Kómp, gezèèhngende van mie Vahder, erft ‘t kuëhninkriehk, dat vuër uch is
kloargemak vanaaf de gróhnjdlègking van de  welt. 35 Want ich haw hóhnger, en
giër hùb mich te èèhte gegèèhve, ich haw doëhsj en giër hùb mich te drèhnke
gegèèhve, ich woar ene vrèème en giër hùb mich opgenóhmme, 36 naahksj en ger hùb
mich gekleid, ich woar krahnk en ger hùb noa mich ómgeziëhn, in de gevahngenis
woar ich en ger zeet noa mich hèèhr kóhmme. 37 Da zulle de richvèèrdigen hèùm
ahnjtwoëhrd gèèhven en zègke: Hiër, wiejnië hùb viër uch geziëhn, dat ger
hóhnger hawt en dat ver uch te èèhten hùbbe gegèèhve, of doëhsj en dat ver uch
te drèhnken hùbbe gegèèhve? 38 En wiejnië hùb ver uch es vrèème geziëhn en hùb
ver uch opgenóhmme, of naahksj en hùb ver uch gekleid? 39 En wiejnië hùb ver uch
krahnk geziëhn of in de gevahngenis en zihnt ver noa uch hèèhr kóhmme? 40 En i
zien ahnjtwoëhrd zal de kuëhning tèèngen hun zègke: Woarlik, ich zègk uch: Ahl
wat giëhr vuër ehne van de minste va mien bruiisj hùb gedoahn, dat hùb ger vuër
mich gedoahn. 41 Da zahl hèè oohch zègke tèènge diej wat lèhnks va zich sjtóhnt:
Goat eweg va mich, vervlookde, noa ‘t iëwig vuëhr, dat is kloar gemak vuër den
duehvel en zien èhngele. 42 Want ich haw hóhnger, en giër hùb mich neet te èèhte
gegèèhve, ich haw doëhsj en giër hùb mich neet te drèhnke gegèèhve, 43 ene
vrèème woar ich en giër hùb mich neet opgenóhmme, naahksj, en ger hùb mich neet
gekleid, krahnk en in de gevahngenis en ger hùb neet noa mich ómgeziëhn. 44 Da
zullen oohch diej ahnjtwoëhrd gèèhven en zègke: Hiër, wiejnië hùb viër uch
geziëhn, dat ger hóhnger hawt of doëhsj of es ene vrèème of naahksj of krahnk of
in de gevahngenis en dat ver neet vuër uch hùbbe gezùrg? 45 Da zahl hèèh hun
ahnjtwoëhrd gèèhven en zègke: Woarlik, ich zègk uch: Ahl wat giër neet hùb
gedoahn vuër ehne van dees minsten hiehj, hùb ger oohch neet vuër mich gedoahn.
46 En da zullen diej eweg goah, noa de iëwige sjtroaf, mê de richvèèrdige noa ‘t
iëwig lèèhve.
… (Mahrkus 14,27-31)
Terug naar boven

27 [Jezus zag tèènge zien
liërlinge:] Dees nach zult giëhr mich allenej in de sjtiëhk loate, want doa
sjteeht gesjriëhve:

Ich zahl de sjiëper
sjloahn

en de sjèùp zulle
versjtruid wèèhre.

28 Mê noa mien verriehsenis zal
ich vuëhr uch noa Galilèjja goah. 29 Mê Piëtrus zag tèèngen hèùm: Ooch al zulle
ze uch allenej in de sjtiëhk loate, ich èèvels neeht. 30 En Jezus zag tèèngen
hèùm: Woarlik, ich zègk dich: Huej, dees nach nog, iër den haan twiëh moahl
kriët, zuls doew driehj moahl zègke, datste mich neet kèns. 31 Mê mit de grótste
noadrùk bleef Piëtrus kalle: Zellefs al moos ich mit uch sjtehrve, da zow ich
nòg neet zègke, dat ich uch neet kèn. En in dèèn trahnt sjprohken oohch al de
ahngere.
. (Mahrkus 14,66-72
Terug naar boven

66 En óngerwîel dat Piëtrus
óhngen op de bènneplaatsj [van ‘t paliehs van den hoëge-preester] woar, keem eeh
van de deensmèèdjes van den hoëgepreester, 67 en wiej dat Piëtrus zoog, dèè zich
ent wehrme woar, kiëhk ’t hèùm aahn en zag: Oohch doehw woasj biej Jezus van
Nahzaret. 68 Mê hèè óntkènde dat mit te zègke: Ich weeht neet en ich sjnap neet,
wats doew zèès. En hèè góng noa boehte, noa de vuëhrplehj. En enen haan kriëde.
69 Mê dat mèèdje, dat hèùm haw geziëh, begós alwèèr tèènge de ómsjtèùndisj te
zègke: Dat is ehne van dehnne. 70 En alwèèr óntkènden hèèh dat. En effekes
doanoa zagte de ómsjtèùndisj alwèèr tèènge Piëtrus: Ziëhker bès doew ehne van
huhnne, want doehw bès oohch ene Galilèjjer aan dien sjproak te huëre. 71 Mê
hèèh begós te vloken en te zjwèèhre: Ich kèn dèè mahn neeht, woët giëhr uëver
kalt. 72 En drek drop kriëde den haan vuër den twiëde moahl. En Piëtrus
herinnerde zich ’t woëhrd, dat Jezus tèèngen hèùm haw gesjproahke: Iër den haan
twiëh moahl hèèt gekriëd, zuls doehw driehj moahl hùbbe gezag, datste mich neet
kèns. En hèè begós [bitter] te bèùhke.
. (Mattèjjus 26,57-68)
Terug naar boven

57 Wiej ze Jezus gepak
hahwwe, vèùrde ze hèùm eweg noa den hoëgepreester Kajafas, woë de sjrifgeliërden
en de awdste biejeeh woare kóhmme. 58 En Piëtrus volgden hèùm va wiejds aahf,
bis aahn de bènneplaatsj van ‘t paliehs van den hoëgepreester. En doa
bènne gekóhmme góng hèè biej ‘t personiël zitten óm den aahfleuhp te ziëh. 59 En
de hoëgpreestisj en de gahnsen Hoëge Road zóchte noa een vahlsje aahklach tèènge
Jezus óm hèùm ter doëd te kènne brèhnge. 60 Mê ze vóhngen niks, ofsjoën vèùl
vahlsje tûege noa vuëhre kehme. Mê op ‘t lèste kehmen ter twiëh noa vuëhre 61
diej zagte: Dèè hèèt gezag: Ich kèn den tehmpel Goads aahfbrèèhke en in driehj
daag opboewe. 62 En den hoëgepreester sjtóng op en zag tèèngen hèùm: Ahnjtwoëhrd
giër niks op wat dees tûege tèèngen uch ihnbrèhnge? 63 Mê Jezus bleef zjwiehgen
en den hoëgepreester zag tèèngen hèùm: Ich bezjwèèhr uch biej de lèèhvende God,
dat ger ós zègk of giëhr de Christus, de Messias, zeet, de zoëhn va God.
64 Jezus zag tèèngen hèùm: Giër hùbt ‘t gezag. Ich zègk uch èèhvels: Van noehw
aaf aah zult ger de Miensjezoëhn zië zitten aan de rechse hahnjd van de Mach
en hèùm ziëh kóhmmen op de wohke van den hiëhmel. 65 Doew riëht den
hoëgepreester zich de klèhjjer kapot
en zag: Hèè hèèt God gelasterd. Wat hùb ver nog tûege nuëdig? Kik dahnne, ger
hùb de goadslastering zellef gehuërd. 66 Wat tuhnks uch? En ziehj zagten in hun
ahnjtwoëhrd: Hèè is den doëd sjùljig. 67 Doew sjpuejden en sjlohge ze hèùm in ‘t
gezich, en ahngere sjlohgen hèùm mit de vuehs en zagte: 68 Christus, Messias,
profiët, zègkt ós, wèè uch gesjlahgen hèèt.
.
Mattèjjus
27,31-44 Terug naar boven

31 [Wiej de soldoate Jezus]
besjpot hawwe, dèhjje ze hèùm de mahnjtel aahf en dèhjjen hèùm wèèr zien ehge
klèhjjer aah, en vèùrden hèùm eweg óm hèùm te krutsige. 32 Wiej ze doa hèèhr
góhnge, kehme ze ene mahn oet Ciërene tèèhnge, Simon geneump. Dem dwóhnge ze zie
kruts te drahge. 33 En wiej ze biej de plaatsj kehme, diej Golgotha geneump wurt,
wat Sjehdelplaatsj betehkent, 34 gehve ze hèùm wiehn mit gal gemenk
te drèhnke. Mê wiej hèè doa va gepreuf haw, wol hèè neet drèhnke.
35 En wiej ze hèùm aan ‘t kruts gesjlahgen hahwwe, verdeelde ze zich óngereeh
zien klèhjjer doër dróm te loahte, [doamit vervùld zow wèèhren ‘t woëhrd
gesjproahke via de profiët dèè zag: Óm mien klèjjaasj hùbbe ze ‘t loaht gewóhrpe
en mien klèhjjer hùbbe ze zich óngereeh verdeeld.] 36 En doew zatte ze zich en
bewaahkden hèùm doah. 37 Ze plaatsjden oohch boave ziene kop de aahklach tèèngen
hèùm, diej woar opgesjriëhven es volg: Dit is Jezus, de kuëhning van de Juede.
38 Doew woëhrte sahme mit hèùm twië bandiete gekrutsig, ehne rechs en ehne
lèhnks. 39 En diej wat doa langs kehme, sjùdde mit de kop en sjloge lasterlike
kahl tèèngen hèùm oeht 40 en zagte: Doehw, dèè den tehmpel aahfbriks en in driej
daag opboewts, red dich zellef, este de Zoëhn va God bès, en kóhm van ‘t kruts
aahf. 41 Zoëh besjpotden hèùm oohch de hoëgpreestisj mit de sjrifgeliërden en de
awdste mit te zègke: 42 Ahngeren hèèt hèè gered, zichzellef kahn hèè neeht redde.
Kuëhning van Israêl is hèèh; went hèè noehw van ‘t kruts aahf kuhmp, da zuhl ver
in hèùm geleuhve. 43 Hèè hèèt zie vertroewen op God gesjtèld: Dat Dèè hèùm noehw
redt, es Hèè hèùm genèèhgen is. Want hèè hèèt gezag: De zoëhn va God bèn ich. 44
Op dezellefde manèèr besjahmpden hèùm oohch de bandiete, diej mit hèùm gekrutsig
woahre.
. (Mattèjjus 27,45-50)
Terug naar boven

45 En vanaaf twellef oëhre
woëhrt ‘t duehster uëver ‘t gahns lahnjd bis driehj oër ‘t smiddigs. 46 En rónjd
driej oër reep Jezus mit fosje sjtùm oeht: Èli, Èli, lema sabachthani? Dat
betehkent: Miene God, miene God, woëróm hùb giër mich verloate? 47 Sommige van
diej wat doa sjtihnge, hoëhrten dat en zagte: Dèè reup Elias. 48 En drek leep
ehne van huhn eweg óm een sjpóhns te pakke, vùlde diej mit zoëre wiehn, sjtook
ze op ene reetsjtehngel en geef hèùm te drèhnke. 49 Mê de ahngere zagte: Loat
ens, da ziëh ver of Elias hèùm kump redde. 50 En wèèr reep Jezus mit fosje sjtùm,
en geef de geehs.
!
(Mattèjjus 28,01-10) 
Terug naar boven

28 01 En laaht in de
nach noa de sabbat, wiej ‘t leech begós te wèèhre op den iësjten daahg van de
wèèhk, keme Maria Magdaliëna en de ahnger Maria noa ‘t graahf kiehke. 02 En zeet:
Doa keem een groëte èèhrdsjùdding, want enen èhngel van den Hiër keem vanoet den
hiëhmel ómliëg, góng de sjteehn eweg rolle en góng zich doa op zètte. 03 En
zienen aahblik woar wiej de bliksem, en zien klèhjjer woare wit wiej sjnië. 04
En de bewahkisj bibberde van angs vuër hèùm en ze woërte wiej liehker. 05 Mê den
èhngel neem ‘t woëhrd en zag tèènge de vroluej: Giëhr hoof neet bang te zihnne,
want ich weeht, dat giëhr Jezus, de gekrutsigde, zeet ent zeuke. 06 Kómp, da
zeet ger de plaatsj, woë hèè gelèèhgen hèèt. 07 En goat gaw aa zien liërlinge
vertèlle, dat hèè verriëhzen is van de doë. En zeet, hèè is op wèèhg noa
Galilèjja, nog vuëhr uch; doah zult ger hèùm ziëh. Zeet, ich hùb ‘t uch gezag.
08 En gaw gónge ze weg biej ‘t graahf, en bang, mê oohch mit groëte bliejdsjap,
rende ze weg óm ‘t aa zien liërlinge te vertèlle. 09 En zeet, Jezus keem hun
tèèhngen en zag: Gowwen daahg. Wiej ziej korter biehj woare kóhmme, kneide ze
vuër hèùm nèèr en pakden hèùm biej de veut vas. 10 Doew zag Jezus tèèngen huhn:
Zeet neet bang. Goat aa mien bruiisj vertèlle, dat ze noa Galilèjja góhnt, en
doa zulle ze mich ziëhn.


Keem is de vertaling van ‘t Griekse erchomenon, wat
lètterlik betehkent: kóhmmend. Oet dit vesj blik neet duehdelik,
of dat huërt biej ‘t leech (dat in de welt keem) of biej 
jiëhder miensj (dèè in de welt kuhmp)
, mê i Joëhannes 03,19 wurt
herhohld: ‘t Leech (= Christus) is in de welt kóhmme. Kèùlisj
neump doa nog biehj: Joëhannes 06,14; 09,39; 12,46; 16,28 en 18,37.
Noehw vohlge de wuërd van ‘t Magnificat, eeh van de bekèndste
Maria-gezeng van de Katholieke Kèhrk. Kèùlisj: ‘I groëte liehne
óngersjèhjje ver driehj gedachten in ‘t Magnificat: Alleriësj pris
Maria, in de vesje 46-49, God wèèges ‘t persuënlik vuëhrrech, dat ziehj
de moëhder van de Messias is woëhre. Op de twiëde plaatsj, in de vesje
50-53, brink Maria hèùr verhùffing i verbahnjd mit ‘t beginsel, dat God
de mechtige en de riehke besjèèmp mak, mê de eenvodige en erm luej
verhùf. Ten lèste vermeljt Maria mit dahnkbaarheehd, dat God zich doër
hèùr moëhdersjap hiljt aa wat Hèè beloaf hèèt aan Abraham en zie
noagesjlach.’
Kèùlisj: ‘Ene profiët is iëmes dèè profesiejen oehtsjprik. De profesiej
woar neet een vuërsjpelling van toewkómstige gebuëhrtenissen of fehte,
mê een verkloaring van de wehrke Goads en èùpebaringe, woëvahn de
sahmenhahnk, de deper betehkenis en de toewkómstig óntploëjing
oetereehgezat wèèhre.’
Noew vohlge de wuërd van ‘t Benedictus, ene lofzahnk geneump noa de
iësjte wuërd va zien latîense vertaling. Vèùl va wat hiehj uëver dizze
lofzahnk wurt gezag, is ‘t gedachtegood va professor Kèùlisj: ‘t
Benedictus besteeht oet twië gedeeltes: ‘t Iësjte gedeelte, vesj 68-75,
besjrif de zèèhnge van ‘t messiaans riehk, ‘t twiëde, vesj 76-79, hèèt
betrèkking op de rol va Joëhannes.
Israêl woar in de lèste iëwe sjîenbaar doër God verloate, mê noehw kuhmp
Hèè Zie voohk wèèr bezeuke.
Geen verlossing van de Roëmeense bezètting, mê van de sjlaverniej van
den duehvel en de zunj.
In ‘t Grieks wurt gekald van ee “hèùhre va redding”. In de biehbel is ee
hèùhre dèk ‘t zinnebihljd va groëte krach, óntliënd aan duër of os, mê
in ‘t Lihmbuhrgs hèèt een hèùhre dèk een óhnguëhstige betehkenis,
bevuëhrbiljd in “een hèùhre-pèèhrd”, lètterlik ene bók vuër een
bókke-kar gesjpanne, en figuërlik enen troage lóhmpe sjtómmerik. Doaróm
hùb ich hiehj neet de wuërd vertaald, mê de betehkenis.
‘De gahnse bewóhnde welt’ betehkende doew ‘t gahns Roëmeens Riehk.
Hoehs en gesjlach kènt hiehj es ééh begrip besjowd wèèhre.
Sjniehjdisj: ‘De naam Hiëroëdes betehkent ‘wiej enen hehljd’ en woërt
gedrahge doër een famiehje, diej geen Juede woahre, mê Edomiete.’
De profiët Micha zèèt in hoofsjtùk 05, vesj 01, vertaald oet de
Willibrordvertaling: “Giëhr èèhvels, Bethlehem in Efrata, al zeet ger
kleen ónger de gesjlachte va Jueda, toch zahl, zègk ich, iëmes oet uch
kóhmme, dèè uëver Israêl geet hiësje.”
Mirre is ene lekker-ruehkende, roëd-brôene wiëhroohk, dèè wurt gemak van
‘t hehl gewoëhre saahp van de mirre-sjtroehk.
Zoëwaahl de vroag: Wat hùb ich mit uch te mahke, ès de aahsjproak
vrow klihnken ós neet simpatiek, ee bietsjke knoëhterig, in de
oëre. Mê hiej vallen ee paahr zahkes op te mehrke: Op de iësjte plaatsj
kalt Jezus hiehj es dèègenige, dèè doër zie Vahder drop oeht is gesjik
woëhre óm, es de oër doavuëhr is kóhmme, de wihl va zienen hiëhmelse
Vahder te doëhn, en neet dèè va zien miensjelike moëhder. Doa kuhmp
biehj, dat jónges, diej zoëh tèèngen hun moëhder kalle (“Doa kump mam
zich wèèr der mit bemuie!”), en dahn toch dóhnt wat ziehj zèèt, dat diej
‘t hart op de richtige plaatsj hùbbe, jus wiej dèè zoëhn i Mattèjjus
21,28-29, tèènge wèèm de vahder zag: “Jóng, gahnk in de wiehngaard
wèhrke”, en dèè doew “neeh” zag, mê toch góng! En ten lèste kènt
Christus, es God, waal zègke: “Niëhmes kènt de Zoëhn, behahwve de Vahder”
(Mattèjjus 11,27), mê van alle luej kènt zie moëhder hèùm bèèhter ès wèè
dan oohch. Ze deeht of ze nog neet èns loehstert noa zie geknoëhter en
zèèt gewuën tèènge de bedeendes: “Doët, wat hèèh uch zèèt.” En hèèh dèj
wat ziehj zag!
Joëhannes neump de wóhnjere va Jezus tehkene.
I sommige lenj wurt óhngersjeehd gemak tùsje sjtilsjtoand, “doëd”
wahter, en aan den ahngere kahnjt “lèèhvend” wahter, dat sjtroomp of
welwahter. Zoë kalt men i Frahnkriehk van eau morte en eau
vive
. In dèè pùt zoot welwahter, dus lèèhvend wahter. Christus mak
hiehj een woëhrdsjpiëhling, want mit lèèhvend wahter bedoelt hèè
hiehj: Wahter dat ‘t (iëwig) lèèhve giëf.
Den iëredeens van de Samaritane sjpihlde zich neet aahf in den tehmpel
va Jeruezalem, mê in hunnen ehgen tehmpel op de behrg Gerizim. Vergelik
de vootnoët biej Mattèjjus 10,05.
Kèùlisj: ‘In de fel zón liehke de lich-gèèl terfvehljer wit te zihnne.’
Kèùlisj: ‘Diej ‘ahngere’, dat zi Moëzes, de profiëte, Joëhannes den
Deuhper en Christus zellef.’
Kèùlisj: ‘Jezus bedoelt hiej de ziëligheehd, ‘t gelùk in den hiëhmel.’
Kèùlisj: ‘Ehrm va geehs betehkent hiehj neet ehrm aa versjtahnjd, mê
ehrm en iëlenjig in de geehs, in de gemoodssjtùmming. Dat woahren in den
tiehd va Christus de gewuën luej, de tollenèèsj, de zunjèèsj, diej doër
de Farizèjjisj verach woëhrte. Dat woahren oohch de apostele, diej alles
ómwille van Chrtistus verloaten hahwwe.’
Kèùlisj: ‘Mit de welt bedoelt Jezus hiehj ‘t Riehk Goads.’
Vergelik de vootnoët biej Mattèjjus 14,11.
Es me vuër den denahriej enen daahgloën va viehf en siëhvetig euro
rèèhkent, zow dat betehkene viehftiën doehzend euro. Mit vîef doehzend
mahn zow dat driej euro de mahn zihnne. Doa kènt me oohch allewil
zoëvèùl broëd en vùsj vuër gehjje, dat nog uëhverblif.
Den denahriej woar ee Roëmeens zihlvere mùhnjtsjtùk, óhngeviër zoë groët
ès enen euro, mê platter. In ‘t Lihmburgs Muezèjjum i Vènloë kènt me ter
ziëh. Ehnen denahriej woar volges Mattèjjus 20,02 den daahgloën van ene
wèhrkmahnne. Ene Roëmeense soldoat kreeg driehj hóhnderd denahriej per
joar. Zeet oohch de vootnoët biej Mattèjjus 20,02.

Meehstahl
wurt hiehj vertaald: En leit ós neet i bekoahring, wat gemeehnlik wilt
zègke: Verlok ós neet tot zunj. Ómdat me moog betwiehfele, dat God ós
tot zunj zow wille verlokke en ómdat ich oeht bèn gegahnge van een van
de belangriehkste betehkenisse van ‘t Griekse wehrkwoëhrd peiradzomai
‘auf die Probe stellen’ en van ‘t zellefsjtenjig naamwoëhrd peirasmos
‘Erprobung’, hùb ich vertaald: En sjtèlt ós neet op de proof. Twië
persoëne diej in de biehbel zjwoar op de proof wèère gesjtèld zint
Christus, in ‘t Nuej Testamehnt, en Job in ‘t Auhwd. Job verloërt ahl
wat hen haw: Zuëhns en dùchter, vië en good, en oohch zien gezóhnjdheehd:
Óhnger de zjwèèhre zoot hèè krahnk op ene mèshoohp. En toch bleef hèè
vertroewen op God. Den iësjte kiër dat Christus op de proof wurt
gesjtèld is gahns aan ‘t begihn van zien optrèè. (Kèùlisj, Mattèjjus
4,01-11) Den duehvel wihlt hèùm verlokke tot machsmisbroehk: ‘Zègkt, dat
dees sjteenbroër wèèhre’, tot vahlsj goadsvertroewe: ‘Wehrpt uch ómliëg
van ‘t daahk van den tehmpel: op de henj zullen de èhngelen uch drahge’
en tot ‘t opgèèhve va zien messiaanse reuping vuër ee politiek
kuëhningsjap doër den duehvel es god en kuëhning van de welt te erkènne:
‘Alle kuëhninkriehke van de welt zal ich uch gèèhve, went ger uch op de
knèjje loat valle en mich veriërt.’ Mê Christus wèèrsjteeht den duehvel
en zèèt: “Maahk dich eweg, satan.” Den twiëde kiër dat Christus op de
proof wurt gesjtèld is op ‘t ènj van zien optrèè, vlak vuëhr zie liehje,
op den Olîefbehrg. Hèè dèhnk dan iësj aa zien liërlinge en zèèt hun:
“Bèèt uch, dat ger neet op de proof wèèrt gesjtèld” (wiej dat mich
gebuëhrt). En doa wurt ‘t zellefde Griekse woëhrd peirasmos
gebrók, dat oohch in ‘t Vahder van Ós sjteeht. En dèhnkend aa de zjwoar
bepreuving diej kóhmme geeht wurt Jezus zoë bang en kreeg ‘t zoë benawd,
dat hèè bèèt: “Vahder, es giër wilt, loat dan dees kehlk aa mich
vuërbiehj goahn”, mê drek drop herkrit hèè zich en liët op diej
modeloësheehd vohlge: “mê neet miehne wihlle, mê dèè van uch mót
gebuëhre.” (Luekas 21,42) Mê de bepreuving is ‘t alderzjwoahrste vuër
Christus, went hèè aan ‘t kruts hink en zich ram verloate veult en dan
oehtreup: “Miene God, mien God, woëróm hùb giër mich verloate?” (Mattèjjus
27,46) Mê zellefs oohch dahn, mit ziene lèsten oam, zèèt hèèh, vohl
goadsvertroewe: “Vahder, in uër henj lègk ich miene geehs (Luekas
23,46).” Wèèrsjtahnjd bèjjen aa bepreuvinge wiej Job en Christus dat
dèhjje, is alleen mer eweggelag vuër oetzuhnjerlike karaktisj. Alle
gewuën luej, zèèt Christus, mótten Ózze Leven Hiër vroagen: Sjtèlt ós
neet op de proof.

Enen
ervahre vië-kènner oet Lèhjjebrook hèèt mich drop gewiëhze, dat hiej
neet gekald wurt va tiën óhmpe ùs, mê va vîef sjpahn, want zón trèkdèère
woërte per koppel of sjpahn igesjpanne vuër kar of ploog en da mohzen
diej good biejeeh passe qua gruëtde en krach en karakter. Ze woëhrte
bliehkbaar oohch per sjpahn verhahnjeld.

Bible de
Jérusalem: ‘Dees oehtdrùkking wurt in de biehbel dèkker gebrók óm iëmes
te bezjwèèhre de woarheehd te sjprèèhke en, es hèè God hèèt beledig, ‘t
wèèr good te mahke.’

Bible de
Jérusalem: ‘Het wóhnjer van de genèèhzing van de blèhnjd-geboahrene is
woarsjîenlik vuër Sint Jahn ee simboël van den deuhp, de nuej geboahrte
doër wahter en Geehs.’

Kèùlisj:
‘Diej deven en bandiete zin de Farizèjjisj en de ahngere diej ‘t doew
vuër ‘t zègken hahwwe. Diej lagte de luej óhndragelike lasten op,
vertèèhrde de hoehzer van de widvrowwen en zoë wiejer.’

Kèùlisj:
‘De verriehsenis is een vriejwillige en ehgemechtige doad: Jezus nump
zie lèèhve truk. Duehdeliker kós hèè zien mach neet oehtdrùkke.’

Dit vesj en
oohch vesj 13 van de parahbel suggerèère, dat uëver dèè loën
gedisjpetèèrd is woëhre. De wèhrknuhmmer va vesj 13, bliehkbaar ene
lestige “kammeroat”, zahl noa vuëhre gehohld hùbbe, dat de daag lahnk
woahre en dat ‘t zjwoar wehrk woar in de hits van de brennende zón. De
wiehnboëhr sjting ónger drùk, ómdat hèè diej luej bliehkbaar ehrg nuëdig
haw: Hèè góng viehf moal drop oeht óm wèhrkluej te vèhnge. Dus dèèn
denahriej zal neet de minimum-loën zi gewèès. Noew is in ‘t begihn van
de eehn en twihntigst iëw de minimumlöen vuër volwassene óngeviër sestig
euro brueto den daahg. Ómdat neet ziëhker is, wat in den tiehd va
Christus wehrk kosde en oohch neet wat doew ‘t versjihl woar tùsje netto
en brueto, zow me toch ónger vèùl vuëhrbehahwd kènne zègke, dat ehnen
denahriej van doew allewil te vergeliehke vilt mit viehf en siëhvetig
euro.

Kèùlisj:
‘De kèèr van dizze parahbel is dat vuër God kènt gelje: Vuër óhngeliehk
wehrk geliehke loën. Dat geet tèèhnge de gewuën opvatting ihn diej zèèt:
Vuër zoëvèùl wehrk zoëvèùl loën. Christus verlègk neet alleen ‘t
zjwoartepuhnjt noa de innerlike gesjtèltenis van de miensj, mê liërt
ohnnog, dat de miensj tèèngenuëver God geen aahsjproak kènt mahken op
rechte, mê gahns aahgewiëhzen is op Hèùm zien goodheehd. Dat nump neet
eweg, dat God ene gowwe loën beloaf: ‘t Hóhnderdvoohd in dees welt, en
‘t iëwig lèèhve in de kóhmmende. (Mattèjjus 19,29)’

Kèùlisj:
‘De Hiëroëdiane, aahnhehngisj van Hiëroëdes en woëvahn ter vuërahl vèùl
i Galilèjja woahre, woare woarsjîenlik mit Hiëroëdes Antipas noa
Jeruesalem kóhmme biej gelèèhg van ‘t Poasjfiës. Ze hawwe liëhver ene
kuëhning oet ‘t hoehs van Hiëroëdes, mê óngerhóhljen toch vruhnjdsjap
mit de Roëmehne. Óm dees rèè woëhrte ze doër de Farizèjjisj der biehj
gerope: Es Jezus de belastingplich óntkènde, zowwen de Hiëroëdianen hèùm
biej de Roëmehnen aahklahge.’

Zeet de
vootnoët biej Mattèjjus 22,24.

God

Kèùlisj:
‘De Juede riëhte zich de klèhjjer kapot biej ‘t huëre van een
goadslastering. De Rabbîenen hahwwe de plaatsj en de lengde van de
riëhts genahw bepoald, zoëdat diej hahnjeling zie sjpóntaan karakter haw
verloahre.’

Volges
sommige haw dat mengsel een verdovende wèhrking.

In de
legendes wurt vertèld, dat Jezus zich doew op ene kawwe sjteeh zoot te
raste, wachtend op zien krutsiging. Dit raste is dèk doër kuhnstenèèsj
oehtgebidlj, vuërahl doër bihljdhuiisj. Zó kuhnswehrk wurt dan ooch ene Christus op de kawwe sjteehn geneump. Peter te Poel van
‘t Bonnefahnte-muzèjjum i Mestreech hèèt mich drop gewiëhze, dat ee sjoë
vuëhrbiljd doavahn is te ziëhn in Pancratius-kèhrk van Hèèhlder. De
Martinus-kèhrk va Stevoort biej Hasselt hèèt oohch zó bihljd, woëva
sommige mehne, dat ‘t oet ‘t atelier va Jan van Steffeswert kuhmp.

‘t
Grieksch-Nederlandsch schoolwoordenboek, 3en drùk,
Zjwolle, 1934, van dr. J.F.L. Montijn, zèèt: ‘Biej ‘t loahte woërte
gemehrkde sjteen of sjehrve in enen helm gewóhrpe, woëmit woërt gesjod,
en dèègenige, woëvahn de sjteehn of ‘t sjehrf ‘t iësjten oet den helm
vloëhg, woar den doër ‘t loaht aahgewiëhze persoën.’

MATTHEÜS IN DE NIEUWE BIJBELVERTALING

NIEUWE BIJBELVERTALING

EVANGELIE VOLGENS MATTHEÜS

Kommentaar op het evangelie van Matteüs volgens de Nieuwe Bijbelvertaling
door drs. Jo Bronneberg, Sittard, 31 december 2004

Omdat ik geen iota noch stipje Hebreeuws kan lezen, is het mij onmogelijk een goed oordeel te vellen over de nieuwe vertaling van het Oude Testament. Omdat ik evenwel redelijk vertrouwd ben met het Grieks van het Nieuwe Testament en ik zelf de vier evangelieën in mijn eentje heb vertaald vanuit dat Grieks naar mijn Limburgs, was ik benieuwd, hoe het onafzienbare vertalerslegioen dat zich begeven had aan de vertaling van de hele bijbel, het er vanaf had gebracht. Ik beperk mij op dit ogenblik tot het evangelie van Matteüs.
De Nieuwe Bijbelvertaling volgt de trend die in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw is ingezet met “Groot Nieuws voor u, het Nieuwe Testament in de omgangstaal”, waarmee de band die er bestaat tussen de Nederlands taal en de traditionele bijbeltaal wordt verbroken. Dat is een keuze die een groep mensen heeft gemaakt, maar die keuze is geen vrijbrief voor onnauwkeurigheid, onkorrektheid, bedrieglijkheid en trivialiteit. De meest saillante staaltjes daarvan laat ik hier volgen.
Ik heb de vertaling bestudeerd met de Griekse tekst (de 26e /27e editie van Nestle-Aland) in de hand.

Fout vertaald
03,11: Johannes de Doper, sprekend over Jezus: Ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Wat betekent dat? Moet Johannes die sandalen inlopen? Of moet hij ze in zijn handen dragen als Jezus op blote voeten wil lopen? Markus (01,07), Lukas (03,16) en Johannes (01,27) spreken in dit verband van luoo ‘losmaken’. Bauer-Aland, hét standaardwoordenboek voor het Nieuw-testamentisch Grieks, stelt hier dan ook zeer terecht voor: forttragen, wegschaffen, abnehmen, ausziehen.

05,32: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis.
Hier wordt beweerd, dat, als die ‘ieder die’ met zijn vrouw in een “ongeoorloofde verbintenis” leefde, bijvoorbeeld ongehuwd, dan drijft hij haar niet tot overspel, als hij haar verstoot. Dat klinkt nogal merkwaardig en dat komt, omdat uit deze interpretatie niet duidelijk blijkt wat er eigenlijk met die ongeoorloofde verbintenis” wordt bedoeld. Dat wordt pas duidelijk, als men de Griekse tekst erbij haalt. Daar is ronduit sprake van porneia ‘hoererij’, een woord dat verband houdt met pornè ‘hoer’. Welnu, als men er elders niet voor terugdeinst om afedron ‘WC’ te vertalen met “beerput” dan zou men zich hier niet hebben hoeven te schamen om porneia te vertalen met ‘vreemdgaan’, in dit geval de ontucht die de vrouw pleegt men een andere man. De geciteerde misleidende vertaling komt ook voort uit het feit, dat er met de Griekse woordvolgorde is geknoeid. In het Grieks staat behalve in geval van overspel/tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis achter die zijn vrouw verstoot. En dan krijgt men wat in de NBG-vertaling van 1951 staat: “Een ieder die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt.”

07,01: Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. Want op grond van het oordeel dat je velt, zal over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.
De vertalers hebben hier en zeer vaak elders gekozen voor de familaire vormen jullie, je, jou in plaats van u. Maar hier zijn ze niet consequent. In het Grieks staan hier alle werkwoordsvormen, behalve de laatste vorm, in de tweede persoon meervoud, maar de vertalers stappen van jullie over op het onduidelijke en onbeklemtoonde je om te eindigen bij het enkelvoud jou. Verderop, in vers 18,15, maken zij van enkelvoud meervoud.

07,04 Hoe kun je tegen (je broeder of zuster): “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt?
Wat in deze zin stoort is het temporele voegwoord zolang, terwijl het duidelijk om een ironische tegenstelling (terwijl jandori …) gaat, in het Grieks kai idou. Overigens zitten de vertalers en hun begeleiders vaker in hun maag met dat idou, zoals we zullen zien bij 02,13.

09,01 Daar probeerden een paar mensen een verlamde bij hem te brengen die op een draagbed lag. Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde:
De vertalers hebben hier mogelijk Zerwick en Grosvenor gevolgd, die in proseferon een conatieve imperfectum zien: trachtten te brengen. Maar die zogenaamde poging leidt tot onmiddellijk resultaat; dus is er veeleer sprake van een duratieve imperfectum: zij kwamen aandragen met een verlamde. Je zag ze zwoegen.

13,12 Wie heeft zal nog meer krijgen, en het zal overvloedig zijn.
Wat zal overvloedig zijn? Wat is “het”? In het Grieks staat gewoon perisseuthèsetai: ‘en
hij zal meer dan genoeg/in overvloed hebben’.

13,39 De oogst staat voor de voltooiing van deze wereld …
Alweer dat pootje lichten. De Statenvertaling is hier glashelder: de oogst is de
voleinding der wereld.

14,16 [De leerlingen zeiden tegen Jezus:] ‘Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen’. Maar Jezus zei: “Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’
Dat ‘laat ze’ is bedenkelijk Nederlands. In het Grieks staat er ‘opdat zij weggegaan zijnde (…) kopen’. Met andere woorden, hier wordt geen bevel uitgevaardigd, maar een wens uitgesproken en dan vereist het Nederlands: laten ze …. Cfr. de Algemene Nederlandse Spraakkunst, 1e druk, pg. 567.

18,15 Als een van je broeders of zusters tegen je zondigt, moet je die daarover onder vier ogen aanspreken. Als ze luisteren, dan heb je ze voor de gemeente behouden.
Hier hebben we weer te maken met bedrieglijkheid, die zich zelf verraadt door inkorrekt Nederlands. Een van je broeders of zusters is maar één persoon. Dat kan men nog weergeven door die in die daarover aanspreken. Maar dan worden het opeens meer personen: ze luisteren. Hoe zit dat? De Griekse tekst legt het bedrog bloot. Daar staat alleen ho adelphos sou, letterlijk: de broer van jou. Nou hebben de vertalers of hun aanvoerder natuurlijk gevonden, dat dat een sexistische vertaling zou zijn. Dus heeft men er stiekem “of uw zuster” bijgefoeteld. Het zou fair geweest zijn ten opzichte van de lezer, als er in een voetnoot op gewezen zou zijn, dat de vertalers hier op de stoel van de schrijver zijn gaan zitten.
Het bedroevendste staaltje van zo’n interpretatie-vertaling wordt gegeven in Lesen und Leben, de Duitse Nieuwe Bijbelvertaling. Bij Matteüs 24,28 presteert het vertalers-team, samengesteld uit vertegenwoordigers van alle Duitstalige gebieden, het om de interpretatie in de vertaaltekst te zetten en de letterlijke vertaling in een voetnoot te plaatsen: (Der Menschensohn) “wird so sicher zu sehen sein wie die Geier, die hoch über einem verendenden Tier kreisen.” En in de voetnoot staat: “Hier wird ein sprichwort zitiert, dat wörtlich lautet: Wo das Aas liegt, da sammeln sich die Geier.”

20,14 Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou.
Deze zin komt uit het verhaal van de arbeiders die allemaal hetzelfde loon kregen, ofschoon sommigen veel langer en in moeilijker omstandigheden hadden gewerkt dan anderen. De achterliggende gedachte daarbij is, dat God ieder individu afzonderlijk en naar diens eigen verdiensten wil beoordelen en belonen. Vandaar dat de n bij laatsten fout is. In het Grieks staat net een enkelvoud (toutooi tooi eschatooi) om dat afzonderlijke, individuele te onderstrepen. Hetzelfde staat ook niet in de Griekse tekst. Daar staat letterlijk: Ik wil immers aan die laatste geven [en niet: betalen!] zoals aan jou. Namelijk vanuit diezelfde, zojuist vermelde, achterliggende gedachte.

21,32 (Jezus zegt tegen de hogespriesters, oudsten en Farizeeën:) U geloofde hem niet, de tollenaars en de hoeren wel.
Dit is weer bedenkelijk Nederlands: U geloofde, maar de tollenaars geloofden. Dit geloofden mag dus niet weggelaten worden. De man die verantwoordelijk is voor de Griekse tekst is daar natuurlijk niet ingetrapt; hij stelt gewoon en korrekt tegenover elkaar, ook al moet hij daarvoor twee maal hetzelfde werkwoord gebruiken: … episteusate (u geloofde) … episteusan (zij geloofden) …

22,13 Gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsentandt.
Dus in het algemeen jammert en knarsentandt men in de duisternis, althans volgens de vertalers. Maar hier gaat het speciaal over die ene man die geen bruilofstkleren aanhad bij het bruiloftsmaal en er daarom uitgegooid werd. Het jammeren en knarsentanden is hier dus niet het resultaat van het zich bevinden in de duisternis, maar van het eruit gegooid zijn. Hoe oneindig veel beter en mooier is de spreekwoordelijke uitdrukking: daar zal geween zijn en geknars der tanden.

23,04 (De Farizeeën) bundelen alle voorschriften tot een zware last en leggen die de mensen op de schouders, terwijl ze zelf geen vinger uitsteken om die te verlichten.
In de eerste plaats komt in de Griekse tekst het woord voor ‘voorschriften’ niet voor. Tot de zware lasten zullen ook allerlei gewoonten en gebruiken behoren. Vervolgens is dat verlichten niet alleen dubbel-zinnig, maar ook gewoon fout qua betekenis in de zin en qua vertaling van het Grieks. In deze zin is ‘lichter maken van de lasten’ voor de Farizeeën toch volslagen onlogisch, daar willen die niets van horen. De fout is dat in de Griekse tekst het werkwoord kineoo staat, dat ‘bewegen’, ‘verroeren’ betekent, en niet ‘lichter maken’. Wij spreken niet voor niets van kinetische energie. De verantwoordelijken voor de moeder aller Nederlandse vertalingen, de Statenvertaling, hebben het wederom goed begrepen: Zij willen die met hunnen vinger niet verroeren.

26,49 Hij liep recht op Jezus af, zei:
Foutje, bedankt!

Al deze fouten zijn des te verbazingwekkender als men ziet hoeveel deskundigen in dit jaren geduurd hebbend miljoenen-projekt betaald zijn.

Triviaal
02,13: Kort nadat (de drie ‘magiërs’) op die manier de wijk genomen hadden …
Hoewel in de christelijke traditie in verreweg de meeste gevallen sprake is van drie wijzen, en in de volksdevotie van drie koningen, komt men hier op de proppen met magiërs, dat wil zeggen sterrenwichelaars, droomuitleggers en tovenaars, obscuur volkje dus. Zo bezien is het logisch, dat de nieuwe vertalers hen ‘de wijk (laten) nemen’, maar zij vergeten daarbij dat die uitdrukking vluchten betekent. Maar bij de drie koningen is er geen sprake van vlucht, maar van een wijs besluit dat door de vertalers wordt gedegradeerd tot iets waar een luchtje aan zit. In het Grieks wordt anachooreoo gebruikt:‘naar een ander land gaan, het land verlaten’. Datzelfde werkwoord wordt ook gebruikt in het volgende vers, waarin gezegd wordt dat ook Jozef met Maria naar een ander land trekt, in hun geval naar Egypte. Maar hier hebben zelfs deze vertalers ‘de wijk nemen’ te gortig gevonden en zijn zij uitgeweken naar ‘uitwijken’.
Overigens staat “op die manier” niet in het Grieks. Idou ‘ziet’ vestigt hier de aandacht op dat wat volgt en niet op dat wat voorafgaat.

08,02 iemand … die aan huidvraat leed
Hier en elders dringt zich het vermoeden op, dat in de grote groep vertalers één enkeling zijn wil heeft weten door te drukken, zoals dat zo vaak gebeurt. Die enkeling heeft het in zijn hoofd gehaald om voor de vertaling van de Griekse woordjes lepra en lepros zelf een oerlelijk Nederlands woord te verzinnen: huidvraat, resp. iemand die aan huidvraat lijdt, terwijl iedereen spreekt van lepra en lepra-stichting of melaatsheid en melaatse. Van de andere kant wordt het Griekse woord tetrarchès, dat geen mens verstaat, “vertaald” met tetrarch, dat ook geen mens verstaat. Het zou van begrip voor service hebben getuigd, als vreemde of rare woorden die in de woordenlijst worden uitgelegd, op de een af andere manier in de tekst waren gemarkeerd.

12,14 De Farizeeën dropen af en besloten hem uit de weg te ruimen.
Hier en ook als we in 18,25 lezen: hij nam hem in een wurggreep, lijkt het wel of we in een krimi terecht zijn gekomen, terwijl de stijl weer omslaat naar de andere kant bij de vorst der demonen (12,24). Het wordt weer triviaal als we in 21, 26 de Farizeeën horen zeggen dat ze bang zijn ‘dat ze het volk over zich heen krijgen.’ Zo lezen we in 28,38: Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken. In 24,49 begint iemand ‘het op een slempen te zetten’.

11,05 doden worden opgewekt
Toen ik deze vertaling aan mijn vrouw voorlas, schoot zij in de lach! Ik betwijfel of dat
de bedoeling van Christus was.

11,17 Toen we voor jullie op de fluit speelden, wilden jullie niet dansen, toen we een klaaglied zongen, wilden jullie niet rouwen.
Deze prozaïsche mededeling is toch geen poesie, is toch geen lied, is gewoon een prutvertaling. In het Grieks staat geen enkele keer het equivalent van toen, geen enkele keer dat van willen. In het Limburgs kan men als volgt vertalen:
Viër hùbbe vuër uch op de fleuht gesjpihld
en giëhr hùb neet gedahns;
mit klaahgzank zihnt ver doew begós,
en giëhr hùb uch neet op de brós geklop.

15,17 Zien jullie dan niet in dat alles wat de mond ingaat in de maag terechtkomt en in de beerput weer verdwijnt?
Alles wat aan onnauwkeurigheid, onkorrektheid, bedrieglijkheid en trivialiteit voorafgaat en nog volgt, valt in het niet bij de platvloerse wansmakelijkheid van deze beerput.

BTW’s: Bedrieglijk toegevoegde woordjes
08,25-26 (Toen de boot door een storm dreigde te zinken riepen de apostelen naar de slapende Jezus:) Heer red ons toch, we vergaan. Hij zei tegen hen: “Waarom hebben jullie zo weinig moed?”
Hier hebben wij een paar uit een hele reeks van gevallen van storende toevoeging van Nederlandse woordjes. In het Grieks staat er letterlijk: Heer, red, wij vergaan. Vooral dat toch is storend. Dat suggereert dat de noodkreet de conclusie zou zijn van een smeekbede, die trouwens niet zou zijn gehoord door de slapende. Die moet kort en krachtig wakker geschreeuwd worden: Heer help, we vergaan! ‘Ons’ en ‘toch’ zijn overbodige ballast die overboord gegooid moet worden.
Jezus wordt wakker en zou dan gezegd hebben: Waarom hebben jullie zo weinig moed? Maar deze vraag past niet bij deze situatie. Hier wordt door de vertalers gesuggereerd, dat Jezus ziet dat zijn apostelen door de gevaarlijke situatie de moed verloren hebben en om hen op te beuren zou hij dan het geciteerde gezegd hebben, met toevoeging van het weer storende en foutieve zo weinig. Hij zal eerder wat gepikeerd zijn geweest dat hij uit zijn slaap is gewekt en zegt dan, meteen de situatie overziend: Wat zijn jullie bang, kleingelovigen?

11,15 Laat wie oren heeft goed luisteren.
Weer zo’n overbodige en storende toevoeging, nu van goed. Dat hele zinnetje betekent toch ook al zonder goed, dat je goed moet luisteren.

14,16 [De leerlingen zeiden tegen Jezus:] ‘Stuur de mensen weg, laat ze naar de dorpen gaan om eten voor zichzelf te kopen’. Maar Jezus zei: “Ze hoeven niet weg, geven jullie hun maar te eten.’
Behalve het reeds vermelde, foutieve “laat ze” hebben we hier te maken met het onterecht toegevoegd woordje ‘maar’ in ‘geven jullie hun maar te eten’. Zonder dat ‘maar’ zijn de woorden van Christus veel indringender en klinken zij door tot in onze oren: ‘Geeft gij hun te eten’, of, wat alledaagser: ‘Jullie moeten hun te eten geven.’

20,14 Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou.
Wij hebben reeds gezien welke de vertaalfouten zijn in dit korte zinnetje, dat toch nog te lang is gemaakt. Hier wordt er namelijk weer lustig aan de originele tekst toegevoegd en dus weer fout vertaald. Dat nu eenmaal, dat hier heel iets anders is dan het Griekse de, maakt de werkgever tot een pesterige flauwerik. Het klinkt hier als lekker tóch, terwijl de achterliggende gedachte is, dat God ieder individu afzonderlijk en naar diens eigen merites wil beoordelen en belonen.

27,40 Als je de zoon van God bent, red jezelf dan maar en …
Dat dan maar staat er niet in het Grieks en vooral dat maar is alweer een storende, foutieve toevoeging, net zoals tenminste in 27,43. Voor iemand die vertrouwd is met de Griekse tekst, worden al die overbodige en meestal bedrieglijk toegevoegde woordjes bijzonder irritant.

Vrije vertalingen
10,29 Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets.
Hier wordt bedenkelijk vrij vertaald of liever: geïnterpreteerd. De letterlijke Statenvertaling luidt: Worden niet twee muschjes om een penningsken verkocht? De Canisiusvertaling zegt: Worden niet twee mussen voor een penning verkocht? Bij een vrije interpretatie is de lezer die geen Grieks kent volledig overgeleverd aan de subjectieve mening van de vertaler.

13,03 Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien.
In onze huidige samenleving met autochtonen, allochtonen, zakenreizigers en toeristen wordt men al gauw op het verkeerde been gezet als men leest: Iemand ging eens naar zijn land … Deze pootje-lichterij wordt voorkomen, als men gewoon sec vertaalt wat er staat: Een zaaier ging uit om te zaaien. Daar is niks mis mee, temeer daar er in het Grieks heel eenvoudig staat: exelthen ho speiroon tou speirein ‘ging uit de zaaier om te zaaien’. Maarten ‘t Hart kan dat nog lezen.

11,21 Als in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd die bij jullie gebeurd zijn, dan zouden de inwoners van die steden zich allang in een boetekleed hebben gehuld en met stof op hun hoofd tot inkeer gekomen zijn.
Ook in deze vertaling wordt door de vertalers weer rücksichtslos cultuurafbraak gepleegd en wordt er afgerekend met de vertrouwde uitdrukking in zak en as, terwijl zij het Grieks maar hoeven over te pennen: en sakkooi kai spodooi, ‘in zak en as’ (en niet: en stof).

Conclusie
De vertaling van de resterende delen van het Nieuwe Testament moet ik nog bestuderen. Maar het valt te verwachten, dat ik bij het kommentaar daarbij dezelfde indeling zal kunnen gebruiken als die bij Matteüs. Ik ben het eens met de Nederlandse bisschoppen, dat zij deze Nieuwe Bijbelvertaling onwaardig bevonden hebben voor gebruik in de heilige liturgie.

MIS HOUDT KATHOLIEK EN PROTESTANT VERDEELD

NEDERLANDS DAGBLAD  2010-11-05
Omdat volgens de regels van het Nederlands Dagblad mijn ingezonden tekst veel te lang was, hebben ze die op de volgende wijze ingekort. Wijzigingen en/of weglatingen heb ik rood tussen haken gezet.

Welkom terug
is vervangen door:
Mis houdt katholiek en protestant verdeeld

Na de vaak bijtend sarcastische haatartikelen over alles wat “rooms” is die [Trouw zo vaak aan zijn lezers voorlegt (de slechtheid van de ‘kattelieken’ is immers de raison d’être van onze afgescheiden broeders en zusters) en waar de christelijke naastenliefde volledig vanaf gedropen is,] was het voor mij als kersverse katholieke proefabonnee van het Nederlands Dagblad een verademing wat objectievere en van meer naastenliefde tonende artikelen te lezen over de Rooms Katholieken en hun Kerk. Zo heb ik met veel interesse “De banvloek blijft, met nuanceringen” in de krant van 29 oktober j.l. gelezen. Helaas miste ik daarin [twee zaken: Bij de mededeling: “De protestanten werden door pauselijke banvloeken getroffen” zou ik het interessant gevonden hebben een paar voorbeelden gekregen te hebben van onderdelen uit de “nieuwe protestantse leer” die door het Concilie van Trente met die banvloek werden getroffen. Zo goed ben ik niet in kerkgeschiedenis.

Het onderdeel “vervloekte afgoderij” is ook erg onvolledig en aan wat erin gezegd wordt valt wat af te dingen.] Jan Hoek kan nu wel stellen dat “Olevianus geen mensen (wilde) vervloeken, maar wel de mis”, maar ik voel mij als katholiek die dagelijks naar de Heilige Mis ga, met de woorden van Hoek en Olevianus niet gevleid. Toen ik van die verwensing, [wederom druipend van christelijke naastenliefde,] voor de eerste keer las, ben ik tijdens een vakantie in Zeeland een Christelijke boekwinkel binnengestapt en vroeg naar de Heidelbergse Catechismus. De mevrouw kwam met verschillende edities, maar allemaal met commentaar van een dominee. “Nee, zei ik, ik heb op genoeg katholieke en niet-katholieke universiteiten gezeten om zelf teksten te kunnen beoordelen.” “Welke tekst zoekt u precies?” “Die waarin van de Heilige Mis gezegd wordt dat het een duivelse afgoderij is.” “Nee, zei zij, het is geen duivelse afgoderij maar een vervloekte.” En toen las zij mij vraag 80 voor. Ik was verbijsterd, uitgemaakt als ik mij toen voelde voor afgodendienaar [en mij afvragend: “Hoe is het in Gods naam mogelijk?”] Het moet van mijn gezicht af te lezen zijn geweest, want gegeneerd en vol begrip voor mij ging zij weg met het boek en ik verliet bedroefd de winkel [zonder dat boek vol naastenliefde en respect voor andermans mening.

Ik had verwacht dat het Nederlands Dagblad de hele kontekst van die ‘vervloekte zaak’ zou geven. Ik heb hem gevonden op Wikipedia bij vraag 80 van de Heidelbergse Catechismus: “Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse Mis? Antw. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods Zijns Vaders, en daar voor ons wil aangebeden zijn. Maar de Mis leert dat de levenden en doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonde hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden. En alzo is de Mis in den grond anders niet, dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.”]

Over deze vraag 80 zullen er hele bibliotheken volgeschreven zijn, maar omdat het Nederlands Dagblad er nu nog steeds over schrijft meen ik nu ook mijn persoonlijke mening erover te mogen geven. Laat ik eerst stellen dat onze afgescheiden broeders en zusters en wij katholieken het eens zijn over de inhoud van de volgende zin, afgezien van de woorden die ik tussen vierkante haken heb gezet, namelijk dat ‘wij [volkomen?] vergeving van al onze zonden hebben door de [enige] offerande van Jezus Christus, die Hij Zelf [eenmaal] aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur [niet op de aarde, maar] in den hemel is, ter rechterhand Gods Zijns Vaders, en [daar] voor ons wil aangebeden zijn.’ En dan zijn wij het toch over een zeer belangrijke zaak eens. Maar het allerbelangrijkste waarover wij het eens zijn is: Bemint God en de naaste als uzelf.

Wat scheidt ons dan nog? Een niet onbelangrijke zaak als het tweede gedeelte van vraag 80. [Met wat daarin door ene Olevianus of door wie dan ook wordt beweerd, ben ik het gedeeltelijk eens en gedeeltelijk oneens.] Oneens ben ik het natuurlijk met de grove, misleidende leugen dat de Heilige Mis zou leren “dat de levenden en doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonde hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde”. De Katholieke Kerk en veel katholieken geloven dat de Heilige Mis het antwoord is op het verzoek door Christus tot zijn leerlingen en tot ons gericht om dat Offer telkens weer te herhalen en ‘tegenwoordig te stellen’ zoals dat genoemd wordt. Dat werd bij de consecratiewoorden van de [H]eilige [M]is van paus Pius V uitgedrukt met een variant op vers 11,25 uit eerste brief van [sint] Paulus aan de Korinthiërs, dat, vertaald uit de Vulgaat, luidt: “Doet dit, zo vaak als gij zult drinken, ter mijner gedachtenis.” De variant van Pius V luidt: “Zo vaak gij dit zult doen, zult gij het doen ter mijner gedachtenis”, waarbij dus ‘drinken’werd vervangen door ‘doen’, waardoor de zin ging slaan op zowel het brood als op de wijn. Bij het Tweede Vaticaans concilie heeft Kardinaal Annibale Bugnini, om tegemoet te komen aan de wensen van de protestantse aanwezigen, die tekst zonder instemming van iedere katholiek, veranderd in “Doet dit ter mijner gedachtenis.” “Zo vaak gij dit zult doen” kwam dus te vervallen overeenkomstig het bovenvermelde gewenste ‘[enige]’ en ‘[eenmaal]’. Zo werd er een einde gemaakt aan een dierbare eeuwen en eeuwenlange traditie in de Kerk, begonnen lang vóór Pius V.

[Ook de woorddienst van de Heilige Mis heeft onder invloed van onze ‘afgescheiden broeders’ en zusters een ‘extreem groot belang’ gekregen  (Constitutie “Sacrosanctum concilium”numéro 24).  Dit extremisme is tot uiting gekomen in de enorme toename van het aantal bijbelteksten tijdens de Heilige Mis, waaronder vele fraaie als 2, Koningen 25,7: ‘Hij liet de zonen van Sedecias wurgen voor zijn ogen en toen stak hij Sedecias de ogen uit.’, waarmee de Heilige Mis ontheiligd wordt. Bugnini is daarin zo ver gegaan dat hij kon zeggen: ‘Onze afgescheiden broeders hebben nu niets meer te mekkeren.’ De hervormde theoloog Jan Hoek denkt daar blijkbaar anders over.]

Een zeer groot verschil in opvatting over de Heilige Mis tussen katholieken en protestanten ligt natuurlijk in het punt “dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is”. Ik heb nooit begrepen van onze afgescheiden broeders, die toch zo hameren op de ‘sola scriptura’,  zo anders kunnen zijn gaan denken over de woorden van Christus: “Dit is mijn lichaam”, en “Dit is mijn bloed.” [Geen enkele evangelist en ook niet sint Paulus schrijft: ‘dit is niet het lichaam van mij’ en ook niet: ‘dit is niet het bloed van mij’, zoals zij in feite vertalen en geloven. Het is natuurlijk hun goed recht en zij zullen alle mogelijke redenen en argumenten hebben om te vertalen en te geloven zoals zij doen, maar wij katholieken hebben het recht om te vertalen en te geloven zoals wij doen, zonder, tot op de dag van vandaag, uitgemaakt te worden voor aanhangers van een “vervloekte afgoderij.”] Net als onze afgescheiden broeders en zusters geloven wij dat Christus God en mens is, Geest en materie, God en lichaam en bloed. Is het dan zo’n ‘vervloekte afgoderij’ om Hem op Zijn woord te geloven en erop te vertrouwen [(want dat betekent het Griekse werkwoord ‘pisteuein’: geloven; vertrouwen)] dat Hij de werkelijke waarheid spreekt als Hij zegt, sprekend over brood en wijn: Dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed? Inderdaad:  “Christus (is) lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns en (moet) daarom ook daarin aangebeden worden.” Dat geloven en dat vertrouwen van de katholieken maakt van de “paapse [M]is” het mooiste, het verhevenste, het heiligste dat er op deze aarde bestaat en mogelijk is. [(Als maar zo gauw mogelijk de talrijke ontheiligende teksten weer eruit gegooid worden).] En de communie is geen maaltijd, maar een ‘gemeenschappelijkheid’: God en de gelovige vormen dan één heilige gemeenschap. Wij worden dan inderdaad “Christus ingelijfd” en omgekeerd.

[Voor veel van het overige moet gezegd worden, dat de Reformatie veel goeds verricht heeft: De handel in aflaten is al eeuwen lang verdwenen. In de katholieke kerken wordt alleen nog gehandeld in rozenkransen en devotie-kaarsjes. Dat laatste gebeurt tegenwoordig zelfs ook in protestantse kerkgebouwen. Zo kwamen mijn vrouw en ik onlangs in een prachtig gerestaureerde gereformeerde, oorspronkelijk katholieke, kerk. Bij een mooie zijkapel met veel brandende kaarsjes hing het bordje: “Maria-kapel”. In het gastenboek heb ik geschreven: “En nu nog een mooi gerestaureerd Mariabeeld.”

Natuurlijk, katholieken, priesters en gelovigen, blijven zondaars, maar al eeuwen lang zondigen zij er niet meer op los met de gedachte ‘in de biecht wordt toch alles vergeven’. Trouwens, wie gaat er nog biechten? Ik heb vernomen dat onze afgescheiden broeders en zusters er naar terug gekeerd zijn.

De Pausen zwelgen niet meer in wellust en nepotisme. Al eeuwen lang liggen hun salarissen op het absolute nulpunt onder de Balkenende-norm. De paus is het enige staatshoofd ter wereld dat geen rooie cent verdient. Nepotisme is alleen nog maar in de hemel. Het kan niet anders dan dat Zijn moeder daar, net zoals bij de bruiloft in Kana, nog steeds wat in de wijn te brokkelen heeft. Afgaande op wat er gebeurt in Lourdes, Fatima en veel andere bedevaart-oorden waar Onze Lieve Vrouw wordt vereerd (niet: aanbeden), blijft zij tegen ons zeggen: Doet (en gelooft in en vertrouwt op) wat Hij u zegt.]

Ik zou zeggen: Broeders en zusters, weest welkom terug. En tot ziens,  zondag bij de hoogmis. Het gregoriaans is er nog steeds. Maar de kansel en de dominee zijn dan Christus en het altaar.

Drs. Jo Bronneberg