Limburgse Grammatica

DE LIDWOORDEN IN DE TAAL VAN JABEEK en verre omstreken van Sittard

Dit is een gewijzigde versie van een studie die ik gepubliceerd heb in het Jaarboek 1995 van de Heemkundevereniging De Vèèrsjpruhnk van de gemeente Onderbanken.
Er zijn drie bepaalde lidwoorden: de, het of ‘t en ge-, en drie aparte vormen voor het onbepaald lidwoord: ene, een en ee. Dit onbepaald lidwoord is afgeleid van het telwoord 1, dat ook in meerdere vormen voorkomt, maar dat zullen we bij de telwoorden zien. Een h achter een klinker geeft de sleeptoon aan.

I. Het bepaald lidwoord de
1) De komt in principe alleen voor in de vormen de en den en staat vóór
a) mannelijke woorden in het enkelvoud die niet met een klinker, een h, een d of een t beginnen;
b) voor vrouwelijke woorden in het enkelvoud en
c) voor mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden in het meervoud:

De pap, de mam en de poehte. Vader, moeder en de kinderen.

2) Den wordt alleen in het enkelvoud gebruikt en wel voor mannelijke zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die met een klinker, een h, een t of een d beginnen. De -n van den heeft dus niets te maken met een naamval, zoals in het Duits, maar wel met het geslacht en het getal van het volgend woord. Vóór een d en een t neemt de tong dezelfde positie in als bij een n (de t, d en n moemt men niet voor niets dentalen, d.w.z. tandmedeklinkers) en een n wordt dan makkelijk ingevoegd, maar weer alleen in het mannelijk enkelvoud.

Het gebruik van de zogenoemde finale -n op het eind van den is tegenwoordig facultatief; dat wil zeggen dat de spreker zelf moet weten of hij ze uitspreekt of niet. De -n zet ik in zo’n geval vaak tussen haakjes: (n). Vooral de jongeren laten tegenwoordig deze -n vaak weg, vooral voor een t en een d. Hier speelt de vervlakkende invloed van het Nederlands een belangrijke rol. Maar ook is het vaak een kwestie van zinsritme. Enkele voorbeelden:

Vóór een zelfstandig naamwoord:
Ich hùb pîen aan den ehrm. Ik heb pijn aan mijn arm.
Dèè woëhrd den hiëhmel i gepriëhze. Die (man) werd de hemel in geprezen.
Woë is de(n) tob? Waar is de emmer?
Een fillem mit de(n) Dieke(n) en de(n) Dunne. Een film met de Dikke de Dunne.

Vóór een bijvoeglijk naamwoord:
den erme mahn de arme man
den iësjte kiër de eerste keer
den hawve(n) tiehd meestal, vaak
de(n) trùjje(n) hoehndj de trouwe hond

de(n) dieke(n) tiën de dikke teen

Dus voor een een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord dat vrouwelijk of meervoud is wordt nooit den gezegd:

Eva woar de iësjte vrouw. Eva was de eerste vrouw.
De eppel zihn al riehp. De appels zijn al rijp.
De sjtómste boëhre(n) hùbbe De stomste boeren hebben de dikste aardappelen.
de diekste èèhrpel.

Door het verdwijnen van de finale -n zou enige onduidelijkheid kunnen ontstaan bij mannelijke woorden die beginnen met een klinker en in het enkelvoud en meervoud dezelfde vorm hebben, maar het zinsverband zal er voor zorgen dat het gevaar voor misverstand tot een minimum beperkt wordt:

den èèhrpel de aardappel
de èèhrpel 1. de aardappelen 2. de aardap

3) Der
De mannelijke vorm der wordt alleen gebruikt in de uitdrukkingen
Dat hohlt dich der dùhjvel. Dat is nogal wiedes.
Al der dùhjvel / dùhjvel. De hele ratteplan.
In deze zegswijzen is de Duitse invloed (der en Teufel) goed merkbaar.

Der en ‘t zoals die bij voorbeeld in en rond Kerkrade en Heerlen worden gebruikt vóór namen komen in het Jabeeks niet voor:

Ha, doa is der Joep > Ha, doa is Joep.
Loat ‘t Lîeza mer gewèèhre > Loat Lîeza mer gewèèhre. Laat Liesje maar haar gang gaan.

4) De combinatie op + de wordt in Jabeek op te en niet oppe zoals in Schinveld en Sittard:
I Joabik op de Maahr In Jabeek op de Maar
(spreek uit: op te Maahr)
I Sjilvend oppe Behrg In Schinveld op de Berg
I Zitterd oppe Mehrt In Sittard op de markt

5) Dem, der en dehn (alle drie uitgesproken met de e van het Nederlandse woordje bed) hebben etymologisch gezien alles te maken met de, maar deze woorden zijn meer aanwijzende voornaamwoorden en zullen dan ook onder die woordsoort behandeld worden.

6) Dès, een oude genitief, komt slechts in één vaste uitdrukking voor, namelijk in het gebed Den èhngel dès Hiëre ‘de engel des Heren’, een Mariagebed dat gebeden werd als het Angelus om twaalf uur ‘s middags luidde.

II. HET LIDWOORDELIJK VOORVOEGSEL GE-
Het lidwoordelijk voorvoegsel ge- met zijn varianten gen- en gene- kan ook als bepaald lidwoord gebruikt worden, maar alleen in een bijwoordelijke bepaling van plaats, dus na een voorzetsel en meestal voor een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud, een enkele keer vóór een telwoord. Het betreft gewoonlijk min of meer vaststaande uitdrukkingen die met een voorzetsel beginnen en ook heel vaak aardrijkskundige namen.

a. ge- in vaststaande uitdrukkingen:
Op gensjtroat Op straat
Dèè ligk de gahnsen Die (man, jongen) ligt de hele dag in bed.
daahg i gebèd.

Hèèh zit de gahnsen Hij is de hele dag op het veld bezig.
daahg i gevehldj.
Ich hùb pîen i genak. Ik heb pijn in mijn nek.
Hèè loog op genrùk. Hij lag op zijn rug.
Dèè zit ummer op genvot. Die (jongen, man) zit altijd op zijn kont.
Op genèèrd, i genèèrd Op de grond, in de grond.
Ich hùb niks i genhoehs. Ik heb niets in huis.
Alles sjting op gendùsj. Alles stond op tafel.
Óhngen i gendùhrp, Beneden in het dorp,
boahven i gendùhrp. boven in het dorp.
Wat hùbse dich noehw wèèr Wat heb je je nu weer in je handen latgen stoppen?
i genhenj loate dueje?
Ee vehldj aan gen een wèj. Een stuk land “aan de ene wei”.
Een wèj aa geziëhve ehke. Een wèjland “aan de zeven eiken”.
Ich hùb geeh gehldj i gentesj. Ik heb geen geld op zak.

NB. Lek mich i gentesj is een vulgaire uitdrukking met de volgende betekenissen:

Loohp doehw mich noa de póhmp. Loop naar de pomp. of: Wat hebben we nou?
Vrèk doehw mich. Barst maar.

Helaas is er een nog veel grovere uitdrukking n.l. Lek mich i maasj, met ongeveer dezelfde betekenis als de vorige. Deze uitdrukking, die oorspronkelijk uit het Duits komt, wordt een enkele keer naar analogie van andere zegswijzen met ge- nog verder verlimburgst tot Lek mich i gemaasj. Duits leraar Jo Reinders uit Schinveld vertelde mij, dat zij zelfs door Goethe wordt gebruikt en wel in de Urfassung uit 1771 van het treurspel Götz von Berlichingen, waar Götz ze in de 3e Aufzug tegen de Trompeter gebruikt om zijn ongenoegen kenbaar te maken. Na overwegingen van esthetische aard heeft Goethe ze in de volgende edities geschrapt.

b. Ge- in plaatsnamen.
Ge-, gen- of gene- komt men ook veel tegen in Limburgse plaats- en streeknamen. Ook hier oorspronkelijk alleen na een voorzetsel, maar naderhand werd ge c.s. vaak een vast element van de plaatsnaam. Hiervan zijn talloze voorbeelden te geven tot in de wijde omstreken:

Plaatsnaam met voorzetsel:

Hèè wóhnt i Joabik, óhngen i Genènj. Hij woont in Jabeek, beneden in de Eindstraat.
Ee sjtùk lahndj aa Genebód Een stuk land aan de Bodde. (veldnaam in Jabeek)
‘t Vehldj aa Gewanj ‘t Veld aan Gewande
De heer Friehn Theunissen uit Bingelrade gaf mij voor zijn dorp de volgende uitdrukkingen:

Hèèh wóhnt i Genveel. Hij woont in Viel.
i Genènj In het Eind (zie ook Jabeek en Schinveld)
Ee lahndj i Gendaahl. Een stuk land in het Dal.
Een wèj aa Gebüsjke. Een wei aan het Bosje.
Ich goan noa Genhooht. Ik ga naar Douvergenhout.
Ziehj is va Genroaht. Zij is van Raath.

De heer Zef Dormans, landbouwer uit Merkelbeek, wiens moeder afkomstig was van Raath, sprak van Gendroaht. Deze d heb ik nagevorst en verder niemand horen zeggen, ook niet de familie van de Camp uit Genroaht. Taalkundig is deze d echter heel goed mogelijk, net zoals Henricus Hendrik is geworden.

De heer Lèj Dohmen gaf mij de volgende uitdrukkingen voor Schinveld:
Aa Gewahter aan ‘t Water
I Sjihlvend kalt me van In Schinveld praat men van aan de Heide en op de Heide.
aa Genhèj en op Genhèj
Diej wóhnde op Genènj. Die woonden in de Eindstraat.
Een wèj i Gentóm Een wei aan de Tomme
Achter Genebehrg Achter de Berg (bij Merkelbeek)
aa Genbîes aan de Bies

Andere voorbeelden uit Zuid-Limburgs:

i Genhèl in Helle (gehucht van Nuth)
Wóhnt giëhr i Gebrook? Wonen jullie in Hoensbroek?
Op Genesjeeht In Schaasberg

Vaste plaatsnamen met ge- zijn bijvoorbeeld geworden:
Gahns Genroaht leep oeht. Heel Raath liep uit.
Gahns Genènj sjting blahnk. Heel het Eind stond blank.
Vanoet de Grach i Joabik Vanuit de Gracht in Jabeek reden ze het Eind in.

voëhrte ze Genènj ihnne.
Wentste i Sjihlvend kuhms, Als je in Schinveld komt, ga dan even de Eindstraat in.
gahnk dan èèhve Genènj op.
Genhooht huërt biej Mehrkelbek. Douvergenhout hoort bij Merkelbeek.

Genhèl is ee fehj gehuch. Helle is een mooi gehucht.
Genveel kènse nee mië truk. Viel ken je niet meer terug.
Genesjeeht is versjlahge. Schaesberg is verslagen.

N.B. 1: Het is moeilijk een regel vast te stellen die bepaalt wanneer men ge-, gen- en gene- zegt. Het geslacht lijkt er niet veel mee te maken te hebben:

mannelijk ‘rùgk’ rug > genrùk; vrouwelijk ‘vo’’ achterste > genvot; onzijdig ‘dùhrp’ dorp > gendùhrp.
Op de beginletters van het hoofdwoord mag men ook niet altijd afgaan: een v- geeft nu weer gen- : Genveel, dan weer ge- : i gevehldj. Een b- levert nu eens ge- op: Gebrook, dan weer gene-: Genebehrg, Genebód. sj- nu eens gen-: op gensjtroat, dan weer gene-: Genesjeeht.

Het enige wat ik vooralsnog kan zeggen is dat vóór een klinker, een h, een t en een d gen- lijkt te komen:
Genènj, genhoehs, gentesj, gendùhrp.

N.B. 2: Dit ge- met zijn varianten moet gezien worden als een vezwakking van de aanwijzende woorden guhnne’ of geen ‘ginds, gene’:

Ich wach doa guhnnen op dich. Ik wacht daar ginds op je.
Deze sterkere, aanwijzende betekenis treft men ook nog aan in de uitdrukking aa geen ziej:
Aa geen ziej van de bèèhk. Aan gindse zijde van de beek.

Aa geen ziej van de grens. Aan gindse zijde van de grens.
Rond de Tweede Wereldoorlog werd aa geen ziej vaak gezegd in plaats van ‘in Duitsland’.

Diej wèhrkde aa geen ziej. Die werkten in Duitsland.

III. HET BEPAALD LIDWOORD HET / ‘t
Het en zijn afgezwakte vorm ‘t vormen het bepaald lidwoord vóór onzijdige zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud:

‘t Menke, ‘t vrùjke en ‘t kiendje. ‘t Mannetje, ‘t vrouwtje en ‘t kindje.
Men lette op het verschil in de uitspraak van de t in b.v. zèèt in de volgende twee zinnetjes:

Wat zèèt ‘t kèhndj? Wat zegt ‘t kind?
Wat zèèt ee kèhndj? Wat zegt een kind?

In het eerste zinnetje wordt zèèt met een stemloze t uitgesproken onder invloed van de oorspronkelijke h van het, hoewel die praktisch niet meer wordt uitgesproken.

In het tweede zinnetje wordt de t van zèèt uitgesproken als een stemhebbende d onder invloed van de volgende klinker ee.

IV. HET ONBEPAALD LIDWOORD EEN

Het onbepaald lidwoord heeft aparte vormen voor het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig.
A. Mannelijk:
1. ene

Vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat niet met een klinker, een h , een t of een d begint:

ene mahn een man
ene riehke kèèhl een rijke kerel
ene potloëd een potlood
ene sjoënen óhrgel een mooi orgel

2. enen
Gebruikt vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord dat met een klinker, een h, een t of een d begint. Maar ook hier dreigt de laatste n te verdwijnen, vooral voor een t of een d:

enen appel een appel
enen ermen hahws een arme drommel
enen hahmpelemahnne een sukkel
enen hawve gare een halve gek
ene(n) tak een tak
ene(n) dehrm een darm

B. Vrouwelijk:

Vóór een vrouwelijk zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord wordt een gebruikt:
een vrow tc “een vrow ” \l 3een vrouw
een sjoën mèèhr een mooie merrie
een toafel een tafel
een flètte bloom een paarse bloem
een duëhr een deur
een lang lùdder een lange ladder

N.B. De uitspraak van een wordt zeer vaak afgezwakt tot ‘n, afhankelijk van de positie van het betreffende zelfstandig naamwoord en van het ritme van de zin:

Hiej hùbse een pèèr en ‘n prôem. Hier heb je een peer en een pruim.

Maar hoe zwak dat ‘n ook is, de n blijft altijd gehandhaafd, want die geeft aan dat het volgend woord vrouwelijk is. De sterke positie van de verschillende vormen van het onbepaald lidwoord en dan met name in het vrouwelijk is een van de verklaringen waarom in het Limburgs de zelfstandige naamwoorden hun geslacht nog zo goed bewaard hebben tot nu toe. In onze taal is het dus nog lang niet als in het Nederlands, waarin de meeste zelfstandige naamwoorden mannelijk zijn geworden en waarin sommigen gewoon zeggen: De kat, hij heeft jongen. In het Limburgs kan dat alleen maar zijn: De kat, ze hèèt jóhnge.

C. Onzijdig

Ook in het onzijdig komt het onbepaald lidwoord in twee vormen voor: ee en een.

1. ee
Dit is het onbepaald lidwoord voor onzijdige zelfstandige naamwoorden die niet met een klinker of een h beginnen. Ook voor een t en een d wordt ee gebruikt. Dit wordt op twee manieren uitgesproken: met een korte gesloten ee of met de onbeklemtoonde e van de. De positie van het betreffende zelfstandig naamwoord en het ritme van de zin zijn weer bepalend. Als het bijbehorend zelfstandig naamwoord in een min of meer beklemtoonde positie staat zal eerder ee uitgesproken worden:

ee pèèhrd een paard
ee book een boek
ee mesjîen een machine
ee kóffer een koffer
ee tekske een takje
ee dun papirke een dun papiertje
ee tùbke een emmertje
ee dèèhkske een dakje
ee troag pèèrdje een traag paardje

In onbeklemtoonde positie kan ee min of meer meer met de e van de uitgesproken worden, die ook als e geschreven kan worden:

Doa kuhmp ene boëhr mit e pèèhrd. Daar komt een boer met een paard
Hèè leep mit e kóffer in genhenj. Hij liep met een koffer in zijn handen.

2) een wordt gebruikt vóór een klinker of een h, maar tegenwoordig wordt de n soms in slordig taalgebruik niet uitgesproken:

een eppelke een appeltje
Hèè wóhnt in een ahwd huske. Hij woont in een oud huisje.
een èèhpke een aapje
een huske 1. een huisje 2. een WC
een hoehs een huis

Dat is nog ee(n) ech awwerwèts koffiej-muëhleke. Dat is nog een echt ouderwets koffie-molentje.
Ich how dich óm een oër. Ik geef je een draai om je oren.

Met deze laatste pijnlijke kwestie zou ik dit grammaticaal hoofdstukje willen afsluiten. Als er lezers of lezeressen zijn die onjuistheden of onvolledigheden zijn tegengekomen, dan kunnen zij kontakt met mij opnemen via info@limburgsetaal.nl.

drs. Jo Bronneberg